Wanneer bestandssystemen een bestand opslaan, proberen ze meestal het hele bestand in één deel op te slaan. Wanneer de schijf vol raakt, wordt het moeilijker om een lege ruimte te vinden die groot genoeg is. In dat geval splitsen de bestandssystemen het bestand op in delen, en slaan ze elk deel op een andere plaats op de schijf op. Dit proces staat bekend als fragmentatie. Fragmentatie ontstaat doordat de verschillende delen niet naast elkaar worden opgeslagen. Wanneer het bestand wordt gelezen, moet het worden samengesteld uit de verschillende locaties. Bestanden die in één deel zijn opgeslagen, kunnen sneller worden gelezen.