15 Orionis is een klasse F2IV (vroege F-type subreus) ster in het sterrenbeeld Orion. Hij heeft een schijnbare magnitude van 4,82 en staat — op basis van parallaxmetingen — op ongeveer 540 lichtjaar afstand (ongeveer 166 parsec). Als vroege F-subreus heeft 15 Orionis een wit tot lichtgeel schijnsel en een effectieve temperatuur van orde 6.800–7.000 K, wat typerend is voor een F2-ster die net van de hoofdreeks af beweegt naar het subreusstadium.

Eigenschappen

De spectrale klasse F2IV geeft aan dat de ster zijn waterstofvoorraad in de kern grotendeels heeft opgebruikt en begint uit te zetten en te koelen terwijl hij de hoofdreeks verlaat. Op een afstand van ~166 pc correspondeert de gemeten parallax ruwweg met ~6 milliboogseconden (mas). Zonder rekening te houden met interstellaire extinctie levert de combinatie van schijnbare magnitude en afstand een ruwe absolute magnitude van ongeveer −1,3, wat wijst op een aanzienlijke intrinsieke helderheid — hoewel de exacte waarde gevoelig is voor onzekerheden in de afstand en voor absorptie door tussenliggende stof.

Begeleider

Er is één vermoedelijke begeleider gemeld, component B, op een hoekafstand van ongeveer 0,3". Als de begeleider op dezelfde afstand als 15 Orionis staat, komt dat overeen met een projectiescheiding van ruwweg 0,3 × 166 ≈ 50 AU. Het is nog onzeker of het een fysische begeleider is (gebonden in een dubbelstersysteem) of een toevallige optische projectie; verdere hoge-resolutie waarnemingen of opvolging van gemeenschappelijke beweging zijn nodig om dat vast te stellen.

Poolster van Uranus

15 Orionis ligt dicht bij de richting van de zuidelijke rotatieas van Uranus en wordt daarom wel genoemd als de zuidelijke poolster van Uranus. Dat betekent dat, vanaf het noord- of zuidpoolgebied van Uranus gezien, deze ster in de buurt van het punt aan de hemel staat waar de rotatieas van de planeet wijst.

Voor waarnemers op aarde is 15 Orionis met zijn magnitude van 4,82 onder een donkere hemel met het blote oog zichtbaar als een zwakke tot matig heldere ster in Orion. Verdere spectroscopische en astrometrische metingen (bijvoorbeeld met instrumenten als Gaia) helpen de fysieke parameters en de aard van de mogelijke begeleider nauwkeuriger te bepalen.