Gram-kleuring (of de methode van Gram) is een manier om bacteriën in twee grote groepen in te delen: gram-positief en gram-negatief. De naam komt van de uitvinder, Hans Christian Gram.
De methode van Gram kleurt bacteriën volgens de chemische en fysische eigenschappen van hun celwanden. Eerst wordt een violette kleurstof op de bacterie aangebracht. Deze kleurstof kleurt peptidoglycaan, een dikke laag die alleen wordt aangetroffen bij Gram-positieve bacteriën. Na de eerste kleuring geeft een andere kleuring (meestal safranine of fuchsine) alle gramnegatieve bacteriën een rode of roze kleur.
De Gram-kleuring is bijna altijd de eerste stap bij de identificatie van een bacterieel organisme. Niet alle bacteriën kunnen echter met deze techniek worden geclassificeerd. Bacteriën waarbij de methode niet werkt, worden "gram-variabel" of "gram-indeterminaat" genoemd.
Gram ontwikkelde de techniek samen met een andere wetenschapper, Carl Friedländer in een ziekenhuis in Berlijn. Gram gebruikte de test echter eerst om bacteriën in de longen beter zichtbaar te maken. Hij publiceerde zijn voltooide methode in 1884.

