Het Jankó klavier is een muzikale klavierindeling voor een piano die in 1882 door Paul von Jankó werd ontworpen.

Het is een 6-plus-6-klavier met zes rijen. Er is dus dezelfde vingerzetting in alle toonladders en de duim heeft zijn eigen rijen voor een betere beweging op het klavier.

Voor een klavier met 88 noten (volledige grootte) zijn er in totaal 264 toetsen, waarbij elke noot kan worden gespeeld door 3 toetsen in verticale uitlijning. In de afbeelding zijn de witte toetsen gekleurd om te laten zien hoe de toetsen met elkaar verbonden zijn.

Nu wordt het Jankó klavier gebruikt voor een elektronisch klavier, de Chromatone 312.

Definitie en ontwerp

Het Jankó-klavier is een zogenaamde isomorfe indeling: dezelfde vingerpatronen geven steeds hetzelfde interval en dezelfde akkoordvorm, ongeacht de toonsoort. Het bestaat uit zes parallelle rijen toetsen, vaak uitgevoerd als twee groepen van drie rijen die zodanig zijn verschoven dat elke toon op drie verticale posities beschikbaar is. Die drievoudige beschikbaarheid van elke noot (drie toetsvlakken per toon) vermindert vingeruitrek en maakt symmetrische vingerzettingen mogelijk.

Werking en spelprincipe

Belangrijke kenmerken van de werking:

  • Isomorfie: een toonladder of akkoord heeft overal hetzelfde patroon op het klavier, waardoor transponeren technisch eenvoudig wordt.
  • Drievoudige aanslag: elke pitch heeft drie mogelijke toetsen in verticale uitlijning; spelers kunnen kiezen welke toets het meest ergonomisch is.
  • Thumb-rijen: de indeling geeft de duim eigen toegankelijke rijen, wat soepelere bewegingen en minder wringing van de pols mogelijk maakt.
  • Standaardstemming: het instrument zelf gebruikt doorgaans de gebruikelijke gelijkzwevende stemming, zodat bestaande partituren zonder aanpassing gespeeld kunnen worden.

In de praktijk betekent dit dat grote toonladders en snelle passages vaak met minder handverplaatsing en scherpere vingerzetting gespeeld kunnen worden. Akkoorden behouden hun vorm bij transpositie, wat improvisatie in verschillende toonsoorten vereenvoudigt.

Geschiedenis

Paul von Jankó, een Hongaarse pianist en uitvinder, ontwikkelde en patenteerde zijn klavierontwerp in 1882. Hij beoogde een alternatief te bieden voor het traditionele toetsenbord dat ergonomischer en consistenter zou zijn voor technische moeilijkheden op de piano.

In de jaren direct na de uitvinding zijn enkele Jankó-piano’s en -mechanieken gebouwd en gedemonstreerd; er waren voorstanders die de voordelen benadrukten, maar het instrument bereikte geen brede acceptatie. Redenen waren onder meer de gevestigde traditie van het conventionele klavier, de kosten en moeite om pianisten en fabrikanten om te scholen, en de grote voorraad bestaande piano’s waarmee niet mee gewisseld kon worden.

Voordelen en nadelen

  • Voordelen: uniforme vingerzetting, eenvoudiger transponeren, minder benodigde vingeruitrekking, potentieel snellere technische passages en ergonomischer spel.
  • Nadelen: vereist omscholing van pianisten, beperkte beschikbaarheid van instrumenten en docenten, praktische incompatibiliteit met conventionele piano’s en het bestaande repertoire/onderwijsysteem.

Hedendaags gebruik en varianten

Hoewel het Jankó-klavier nooit de standaard werd, leeft het idee voort in moderne elektronische en experimentele instrumenten. De Chromatone 312 is een voorbeeld van een hedendaags elektronisch instrument dat de Jankó-indeling gebruikt om de voordelen van het ontwerp te benutten zonder de mechanische omvang van een akoestische piano.

Daarnaast zijn er MIDI-controllers en software-implementaties die isomorfe toetsenborden (waaronder Jankó-achtige lay-outs) aanbieden. Zulke systemen worden soms gebruikt door componisten, improvisatoren en onderzoekers die geïnteresseerd zijn in alternatieve ergonomieën en microtonale toepassingen.

Praktische overwegingen voor spelers

  • Een pianist die overstapt naar Jankó moet zowel motorisch als mentaal nieuwe patronen automatiseren; dat gaat doorgaans sneller dan helemaal nieuw noten lezen leren, maar vraagt oefentijd.
  • Omdat de notatie en het repertoire niet veranderen, blijft leerstof uit traditionele partituren bruikbaar; alleen de handconfiguratie verandert.
  • Voor leraren geldt dat er weinig lesmateriaal en weinig docenten zijn; zelfstudie en experimenteren zijn veelvoorkomend bij geïnteresseerden.

Slotopmerkingen

Het Jankó-klavier is een fascinerend voorbeeld van hoe instrumentontwerp theoretische voordelen kan bieden die niet altijd tot brede praktijkacceptatie leiden. Voor wie geïnteresseerd is in ergonomie, alternatieve toetsenindelingen of elektronische instrumenten blijft het een relevant en inspirerend concept.