Sommigen geloven niet dat deze vaardigheid bestaat. De Amerikaanse cognitieve wetenschapper Marvin Minsky meende in zijn boek The Society of Mind (1988) dat berichten over een fotografisch geheugen een "ongegronde mythe" waren.
Adriaan de Groot bestudeerde het vermogen van schaakgrootmeesters om de posities van schaakstukken op een schaakbord te onthouden. Aanvankelijk dacht men dat zij een fotografisch geheugen hadden, omdat zij veel meer informatie konden onthouden dan niet-experts. Maar bij opstellingen van stukken die in een partij nooit zouden kunnen voorkomen, was hun herinnering niet beter dan die van niet-experts. Dit suggereert dat zij alleen een vermogen hebben om bepaalde soorten informatie te onthouden, in plaats van een fotografisch geheugen.
Rond 1970, bestudeerde Charles Stromeyer zijn toekomstige vrouw, Elizabeth. Hij beweerde dat zij zich poëzie kon herinneren die in een vreemde taal was geschreven en die zij niet begreep. Ze kon zich de poëzie herinneren jaren nadat ze het gedicht voor het eerst had gezien. Zij kon zich blijkbaar ook willekeurige puntpatronen herinneren om twee patronen te combineren tot een stereoscopisch beeld. Zij is de enige persoon waarvan bekend is dat zij voor een dergelijke test is geslaagd. De methoden die bij de testprocedures werden gebruikt, waren niet duidelijk. Bovendien zijn de proeven nooit herhaald (Elizabeth heeft consequent geweigerd ze te herhalen). Dit gaf aanleiding tot verdere bezorgdheid, en verhoogde de scepsis over de vraag of fotografische herinneringen echt waren.