Choi Kyu-hah (16 juli 1919 – 22 oktober 2006; ook wel gespeld als Choi Kyu-ha) was tussen 1979 en 1980 de president van Zuid-Korea. Hij werd geboren in de stad Wonju in de provincie Gangwon. Choi vervulde eerder belangrijke bestuurlijke functies: hij was minister van Buitenlandse Zaken van 1967 tot 1971 en diende als premier van 1975 tot 1979. Zijn loopbaan kenmerkte zich door een achtergrond in diplomatie en staatsdienst; hij stond bekend als een gematigde, vreedzame figuur zonder een sterke machtsbasis binnen het leger of een grote politieke beweging.

Vroege loopbaan en benoemingen

Als diplomaat en minister van Buitenlandse Zaken vertegenwoordigde Choi Zuid-Korea in een periode van koude oorlogsspanningen en snelle economische ontwikkeling. Zijn functie als premier vanaf 1975 plaatste hem in het centrum van het civiele bestuur onder het autoritaire regime van Park Chung Hee. Daardoor was Choi in oktober 1979, toen Park werd vermoord, de constitutionele opvolger als premier en trad hij aan als waarnemend staatshoofd.

President na de moord op Park Chung Hee

Na de moord op Park Chung Hee in oktober 1979 nam Choi, toen premier, de macht over als tijdelijk staatshoofd. Hij beloofde politieke hervormingen, een nieuwe grondwet en vrije verkiezingen — veel Zuid-Koreanen zagen de verkiezingen onder Park als frauduleus en verwachtten democratisering. In december 1979 werd Choi officieel gekozen tot president (de procedure was indirect en vond plaats in de nasleep van Parks dood), met de opdracht het land te stabiliseren en de beloofde politieke veranderingen door te voeren.

De 12.12-coup, Chun Doo-hwan en de toenemende militarisering

In december 1979 pleegden generaal-majoor Chun Doo-hwan en zijn medestanders een militaire coup (de zogenaamde 12.12-coup). Zij verwijderden snel tegenstanders binnen het leger en vestigden feitelijk de controle over militaire en veiligheidsinstellingen. Choi bleef formeel president, maar zijn macht was beperkt: hij had geen eigen legersteun en stond onder grote druk van invloedrijke militaire leiders.

In april 1980, onder toenemende druk van Chun en andere militairen, benoemde Choi Chun tot hoofd van de Koreaanse Centrale Inlichtingendienst. Die stap versterkte Chuns positie nog meer en maakte hem een sleutelfiguur in het staatsapparaat. In mei 1980 breidde Chun met medewerking van hoge militairen de staat van beleg uit en ontnam daarmee vele bevoegdheden van de burgerlijke regering. Dit leidde tot massale studenten- en volksprotesten, vooral in Seoel en in Gwangju.

De Gwangju-crisis (mei 1980)

In Gwangju escaleerden de protesten tot een gewelddadige confrontatie met het leger. De gewelddadige neerslag van de opstand, vaak aangeduid als het bloedbad van Gwangju of de Gwangju-opstand, vond plaats in mei 1980. Duizenden burgers en studenten traden in verzet tegen de staat van beleg en de militaire controle; het leger reageerde met harde repressie. Het exacte aantal slachtoffers is onderwerp van discussie: er vielen volgens officiële en onafhankelijke schattingen tientallen tot honderden doden en verwonden. Door de jaren heen zijn de schattingen opgelopen en blijven cijfers en verantwoordelijkheid onderwerp van historisch onderzoek en politieke controverse. De gebeurtenis werd een keerpunt in de Zuid-Koreaanse strijd voor democratie en leidde later tot uitgebreide onderzoeken naar schendingen van mensenrechten en machtsmisbruik door het leger.

Aftreden en latere leven

Onder de groeiende controle van Chun en het militaire establishment kwam Choi steeds meer in de verdrukking. Hij trad kort daarna af; de machtsoverdracht aan Chun werd voltooid en Chun werd op 1 september 1980 president. Choi trok zich na zijn aftreden terug uit de politieke belangstelling en leidde de rest van zijn leven een rustig, teruggetrokken bestaan. Hij overleed op 22 oktober 2006 op 87‑jarige leeftijd.

Nalatenschap en historische beoordeling

Choi Kyu-hah wordt in de historische literatuur vaak gezien als een gematigde en burgerlijke figuur die in een turbulente periode aantrad maar weinig politieke middelen had om de opkomst van militaire macht te keren. Zijn ambtstermijn markeert een overgangsfase tussen het lange, autoritaire bewind van Park Chung Hee en de latere junta onder Chun Doo-hwan. De gebeurtenissen rond de Gwangju-crisis blijven de meest besproken en beladen episode uit die tijd en hebben grote invloed gehad op de latere democratiseringsbeweging in Zuid-Korea.