De Deense verzetsbeweging was een ondergrondse beweging die zich verzette tegen de nazi-Duitse bezetting van Denemarken tijdens de Tweede Wereldoorlog. Door de aanvankelijk toegeeflijke regelingen, waarbij de nazi-bezettingsautoriteit de democratische regering toestond aan de macht te blijven, was het voor de verzetsbeweging langzamer om op grote schaal effectieve tactieken te ontwikkelen dan in sommige andere landen.

Tegen 1943 waren veel Denen betrokken bij ondergrondse activiteiten, variërend van het produceren van illegale publicaties tot spionage en sabotage. Tot de belangrijkste groepen behoorden de communistische BOPA (Deens: Borgerlige Partisaner, Burger Partizanen) en Holger Danske, beide gevestigd in Kopenhagen. Verzetsmensen vermoordden tot 1944 naar schatting 400 Deense nazi's, informanten en collaborateurs. Na die datum vermoordden zij ook enkele Duitse onderdanen.

In de naoorlogse periode werd het verzet gesteund door politici in Denemarken en werd er weinig moeite gedaan om de moorden nauwkeurig te onderzoeken. Aan het eind van de 20ste en het begin van de 21ste eeuw werden studies gemaakt, en men leerde dat er soms sprake was van geïmproviseerde en voorwaardelijke besluitvorming over de doelwitten, met soms moreel dubbelzinnige keuzes.