De term typesoort wordt gebruikt in de wetenschappelijke naamgeving van levende wezens, en maakt deel uit van een systeem met een zogenaamd "type".

Het typesysteem staat centraal in de wetenschappelijke naamgeving van levende wezens (organismen). Hoe het precies werkt, hangt af van welk levend wezen men precies beschouwt, maar in zeer algemene (en onnauwkeurige) zin kan men zeggen dat het elke naam vastlegt aan een bepaald specimen, het type-exemplaar. Dit helpt bij het bepalen van de naam die voor een bepaald levend wezen (of een groep levende wezens, een taxon) moet worden gebruikt. Er bestaan internationale nomenclatuurcodes waarin precies is vastgelegd hoe typen moeten worden aangeduid en gebruikt.

Voor dieren is de typesoort van een genus (of subgenus) het type van dat genus (of subgenus). De soort heeft (hopelijk) een specimen (of in sommige gevallen een groep specimens) als type, dus de typesoort is de schakel tussen een genus (of subgenus) en een type specimen.

Voor algen, schimmels en planten ligt dat anders: de typesoort van een geslacht is de soort die hetzelfde type (specimen of afbeelding) heeft als het geslacht. Zo is bijvoorbeeld Malus sylvestris, de Europese wilde appel, de typesoort van het geslacht Malus. Voor algen, schimmels en planten speelt een typesoort dus geen grote rol; het is geen officiële term, maar slechts een gemaksterm.