Benjamin Harrison (20 augustus 1833 – 13 maart 1901) was de 23e president van de Verenigde Staten (1889–1893). Hij was de kleinzoon van president William Henry Harrison en de enige kleinzoon van een president die zelf president werd. Hij woonde in Indianapolis, Indiana. Harrison was lid van de Republikeinse partij en werd in 1888 verkozen door Grover Cleveland te verslaan; hij won het kiescollege terwijl hij de populaire stem verloor. Harrison was de eerste president van de Verenigde Staten die elektriciteit gebruikte in het Witte Huis. Na één volledige termijn van vier jaar stelde Cleveland zich opnieuw kandidaat en versloeg ditmaal Harrison bij de presidentsverkiezingen van 1892.
Harrison werd geboren in North Bend, Ohio, en studeerde aan Miami University in Oxford (Ohio). Hij vestigde zich later als advocaat in Indiana en bouwde een succesvolle juridische praktijk op. Als advocaat voerde hij vele zaken en trad ook op voor het Hooggerechtshof van de Verenigde Staten. Zijn juridische carrière droeg bij aan zijn reputatie als gerespecteerd pleitbezorger en politicus.
Tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog diende Harrison in het leger van de Unie als kolonel en werd later onderscheiden met een brevet brigadier-generaal. Zijn militaire dienst versterkte zijn publieke profiel en hielp hem in zijn latere politieke loopbaan.
Als president zette Harrison een aantal belangrijke beleidslijnen in gang en ondertekende hij wetgeving die blijvende gevolgen had. Belangrijke onderdelen van zijn presidentschap waren onder meer:
- economisch beleid met hoge invoertarieven (de omstreden tarieven van 1890 die de binnenlandse industrie beschermden);
- ondertekening van de Sherman Antitrust Act (1890), de eerste wetgeving op federaal niveau gericht op het tegengaan van monopolies en het bevorderen van eerlijke concurrentie;
- een ruime uitbreiding van de burgerpensioenen voor oorlogsveteranen en hun gezinnen (Dependent Pension Act van 1890);
- een versterking en modernisering van de marine — het begin van een lang proces naar een moderne Amerikaanse vloot onder leiding van zijn kabinetten;
- actieve betrokkenheid bij het internationale beleid, waaronder de ondersteuning van Pan-Amerikaanse samenwerking tijdens conferenties die leidden tot betere betrekkingen met landen in Latijns-Amerika;
- de toelating van meerdere nieuwe staten tot de Unie tijdens zijn ambtstermijn, waaronder onder andere North Dakota, South Dakota, Montana, Washington, Idaho en Wyoming.
Harrison benoemde ook tal van federale rechters en bestuurders, en zijn presidentschap wordt gekenmerkt door een nadruk op een sterkere federale rol in economische en administratieve zaken. Zijn politiek en het hoge overheidsbudget veroorzaakten binnen de partij verdeeldheid en droegen bij aan verlies van zetels voor de Republikeinen bij de tussentijdse verkiezingen van 1890.
Harrison's eerste vrouw was Carrie Harrison. Na haar dood in 1892 trouwde hij in 1896 met Mary Dimmick Harrison. In zijn privéleven stond hij bekend als formeel en traditioneel, met veel aandacht voor plichtsbesef en publiek dienstbetoon.
Na zijn presidentschap keerde Harrison terug naar Indianapolis en hervatte zijn advocatenpraktijk; ook daarna trad hij nog regelmatig op voor het Hooggerechtshof van de Verenigde Staten. Hij stierf op 13 maart 1901 in Indianapolis. Zijn nalatenschap omvat belangrijke stappen naar federale regulering van het bedrijfsleven, uitbreiding van sociale pensioenen en een moderniseringsslag van de Amerikaanse vloot.