Een blinde vlek is een deel van het gezichtsveld waar onze hersenen geen informatie van krijgen. Het is de plaats in het gezichtsveld die overeenkomt met het ontbreken van lichtdetecterende fotoreceptorcellen op de plaats waar de oogzenuw door de optische schijf van het netvlies loopt. Aangezien er in de optische schijf geen cellen zijn om licht te detecteren, wordt een deel van het gezichtsveld niet waargenomen. De hersenen vullen de omringende details aan met informatie van het andere oog, zodat de blinde vlek normaal niet wordt waargenomen.

Hoewel alle gewervelde dieren deze blinde vlek hebben, hebben de ogen van koppotigen, die er oppervlakkig op lijken, dat niet. Bij hen nadert de oogzenuw de receptoren van achteren, zodat er geen breuk in het netvlies ontstaat.

De eerste gedocumenteerde waarneming van het verschijnsel vond plaats in de jaren 1660 door Edme Mariotte in Frankrijk. In die tijd werd algemeen aangenomen dat het punt waar de oogzenuw het oog binnenkomt, het gevoeligste deel van het netvlies is; de ontdekking van Mariotte ontkrachtte deze theorie echter.