De koning is het meest waardevolle schaakstuk in een schaakspel. Het kan naar links, rechts, boven, beneden of diagonaal bewegen. Het kan slechts één veld tegelijk bewegen. Bij het noteren van schaakpartijen wordt koning afgekort tot K.
Het doel van het spel is om schaakmat te zetten (de koning slaan). Als de koning van een speler wordt aangevallen door een stuk van de tegenstander, heet dat schaak. De speler met de aangevallen koning moet zo bewegen dat de koning niet langer schaak staat. Als de koning dit niet kan doen, staat hij schaakmat, en verliest die partij het spel.
Bewegingen en basisregels
De koning beweegt één veld in alle acht richtingen: horizontaal, verticaal of diagonaal. Hij kan een vijandig stuk slaan door naar het veld van dat stuk te verplaatsen. Een koning mag nooit op een veld staan waar hij aangevallen wordt — dat betekent dat het illegaal is een zet te doen die de eigen koning in schaak brengt.
Rochade (speciale zet)
Rochade is een belangrijke dubbele zet waarbij koning en toren tegelijk bewegen. Er zijn twee vormen:
- Korte rochade (koningszijde): notatie O-O. De koning beweegt twee velden naar de toren aan de koningszijde en die toren springt naar het veld direct naast de koning.
- Lange rochade (dameszijde): notatie O-O-O. De koning beweegt twee velden naar de toren aan de dameszijde en die toren springt naar het veld direct naast de koning.
Voorwaarden voor rochade:
- Zowel de koning als de betrokken toren mogen nog niet eerder bewogen hebben.
- Tussen de koning en de toren moeten alle velden vrij zijn.
- De koning mag niet in schaak staan vóór de rochade, mag niet over een aangevallen veld heen lopen en mag niet eindigen op een aangevallen veld.
Schaak, verdediging en schaakmat
Wanneer een koning aangevallen wordt, heet dat schaak. De speler die schaak staat moet dit direct oplossen. Mogelijke reacties zijn:
- de koning verplaatsen naar een veilig veld;
- het aanvallende stuk slaan (als dat mogelijk is);
- een ander stuk tussen de koning en het aanvallende stuk zetten om het aanvalspad te blokkeren (tussenbeurt), mits het geen aanval door een paard betreft.
Als geen van deze mogelijkheden beschikbaar is en de koning blijft aangevallen, is het schaakmat en verliest die speler de partij.
Pat en remise
Als een speler aan zet staat, zijn geen zetten mogelijk en staat zijn koning niet in schaak, dan heet dat pat (remise): de partij eindigt gelijk. Er zijn ook andere manieren om remise te krijgen, zoals onvoldoende materiaal om mat te geven, drie keer dezelfde stelling (drie-keer-herhaling) of de vijftigzettenregel.
De koning in het eindspel
Hoewel de koning kwetsbaar is in het middenspel, wordt hij in het eindspel vaak actief ingezet om stukken en pionnen te ondersteunen. Een actieve koning kan beslissend zijn bij promotie van pionnen of het creëren van passeerstanden. Toch blijft voorzichtigheid geboden: een te ver naar voren gebrachte koning kan weer kwetsbaar worden.
Notatie en praktische tips
- In schaaknotatie wordt de koning aangeduid met de letter K.
- Breng je koning in veiligheid bij een aanval en zoek daarna mogelijkheden om te rocheren.
- Controleer altijd of een zet de eigen koning in schaak zou zetten — zulke zetten zijn ongeldig.
- In het middenspel is het meestal verstandig de koning achter je pionnenstructuur te houden; in het eindspel kun je de koning actiever inzetten.
Samengevat: de koning is het centraal belangrijke stuk. Niet alleen omdat het verliezen van de koning het einde van de partij betekent, maar ook omdat zijn juiste gebruik en veiligheid vaak het verschil maken tussen winst, verlies of remise.

