Taalkunde is de studie van de taal. Mensen die taal studeren worden linguïsten genoemd.

Er zijn vijf hoofdonderdelen van de taalkunde: de studie van klanken (fonologie), de studie van delen van woorden, zoals "un-" en "-ing" (morfologie), de studie van de woordvolgorde en hoe zinnen worden gemaakt (syntaxis), de studie van de betekenis van woorden (semantiek), en de studie van de onuitgesproken betekenis van spraak die losstaat van de letterlijke betekenis van wat er gezegd wordt (bijvoorbeeld door te zeggen "ik heb het koud" om iemand de ventilator uit te laten zetten (pragmatiek).

Er zijn vele manieren om de taalkunde elke dag te gebruiken. Sommige linguïsten zijn theoretische linguïsten en bestuderen de theorie en ideeën achter taal, zoals de historische linguïstiek (de studie van de geschiedenis van taal, en hoe die is veranderd), of de studie van hoe verschillende groepen mensen taal anders kunnen gebruiken (sociolinguïstiek). Sommige linguïsten zijn toegepaste linguïsten en gebruiken linguïstiek om dingen te doen. Forensische linguïstiek wordt bijvoorbeeld gebruikt in misdaadonderzoeken, en computationele linguïstiek wordt gebruikt om computers te helpen bij het begrijpen van talen, zoals bij spraakherkenning).