Crassus regelde het bestuur van de Romeinse provincie Syrië, met de doorzichtige bedoeling om oorlog te voeren tegen Parthië. In feite begon hij een oorlog tegen Parthië, met zijn eigen geld en zonder de officiële goedkeuring van de Senaat.
Nadat Crassus op de hoogte was gebracht van de aanwezigheid van het Parthische leger, raakte hij in paniek. Zijn generaal Cassius raadde aan het leger op de traditionele Romeinse manier op te stellen, met infanterie in het midden en cavalerie aan de flanken. Aanvankelijk ging Crassus akkoord, maar hij veranderde al snel van mening en herschikte zijn manschappen in een hol vierkant met aan elke zijde twaalf cohorten. Deze formatie zou zijn troepen beschermen tegen omsingeling, maar ten koste van de mobiliteit.
De dag verliep slecht voor de Romeinen, die herhaaldelijk werden overvleugeld door de Parthische cavalerie. De volgende dag ontvingen zij een bericht, waarin werd aangeboden om met Crassus te onderhandelen. Er werd een wapenstilstand voorgesteld, waardoor het Romeinse leger veilig naar Syrië kon terugkeren, in ruil voor het opgeven van al het grondgebied ten oosten van de Eufraat. Crassus aarzelde om de Parthen te ontmoeten, maar zijn troepen dreigden met muiterij als hij dat niet deed. Tijdens de ontmoeting trok een Parthiër aan Crassus' teugels, wat tot geweld leidde. Crassus en zijn generaals werden vermoord. Na zijn dood goten de Parthen naar verluidt gesmolten goud in zijn keel, als symbolisch gebaar om Crassus' befaamde hebzucht te bespotten. De overgebleven Romeinen bij Carrhae probeerden te vluchten, maar de meesten werden gevangen genomen of gedood. De Romeinse verliezen bedroegen ongeveer 20.000 doden en 10.000 gevangenen, waardoor de slag één van de duurste nederlagen uit de Romeinse geschiedenis was. De Parthische slachtoffers waren minimaal.