In Zuidoost-Azië werden palmbladeren gebruikt als materiaal om op te schrijven. Het gebruik ervan is bekend uit de 5e eeuw v.C., maar is misschien al eerder begonnen. Om ze geschikt te maken voor het schrijven, worden palmbladeren gekookt, gedroogd en gepolijst. Door de aard van de palmbladeren worden de manuscripten in "liggend formaat" geschreven. Deze bladeren zijn tussen 15 centimeter en 60 centimeter breed, maar slechts 3 tot 12 centimeter hoog.

Oude manuscripten zijn gevoelig voor bederf, en ze worden vaak door zilvervisjes gegeten.