Een dictator was de hoogste magistraat van de Romeinse Republiek. Zij werden regelmatig benoemd vanaf de vroegste periode van de Republiek tot aan de Tweede Punische Oorlog.

Dictators hadden het volledige gezag van de staat om een militaire noodsituatie het hoofd te bieden of een specifieke taak op zich te nemen. Het recht van de tribuun van het plebs om zijn veto uit te spreken over zijn daden was uiterst beperkt. Om echter te voorkomen dat de dictatuur een bedreiging zou vormen voor de staat zelf, werden er beperkingen gesteld aan zijn bevoegdheden. Een dictator had een duidelijk gezagsgebied. Hij moest aftreden zodra zijn taak erop zat, of na zes maanden.

Na de TweedePunische Oorlog werden er meer dan een eeuw lang geen dictators benoemd. Toen werd het idee nieuw leven ingeblazen door Sulla, en later door Caesar. Sulla was een tiran, en Caesar werd kort na zijn aanstelling tot dictator vermoord.

Het ambt werd formeel afgeschaft na de dood van Caesar, en werd onder het keizerrijk niet nieuw leven ingeblazen.