Bruine dwergen zijn objecten die uit dezelfde basiselementen bestaan als sterren, maar die niet genoeg massa hebben voor duurzame waterstoffusie (het samenvoegen van waterstofatomen tot heliumatomen). Kernfusie is wat sterren langdurig doet gloeien; bruine dwergen zijn niet massief genoeg om permanente waterstoffusie te onderhouden, en behoren daarom niet tot de gewone sterren. Tegelijkertijd zijn ze geen gewone gasreuzen: ze geven wél (zwakke) eigen warmte en licht af, vooral in het infrarood, omdat ze kort na hun ontstaan nog warmte uitstralen door contractie en restwarmte.
Massa, grenzen en kernreacties
De massa van bruine dwergen ligt tussen die van de zwaarste gasreuzen en de lichtste sterren. De gebruikelijke grenzen zijn ongeveer:
- Ondergrens: ongeveer 13 maal de massa van Jupiter (MJ). Objecten boven deze grens kunnen tijdelijk deuterium verbranden in hun kern.
- Bovengrens: ongeveer 75–80 MJ (ongeveer 0,07–0,08 zonmassa). Boven die grens kan stabiele waterstoffusie starten en wordt het object een echte ster.
Daarnaast wordt vaak gesteld dat bruine dwergen met een massa van meer dan ~65 MJ ook lithium kunnen verbranden. Het aantreffen (of juist het ontbreken) van lithium in het spectrum kan daarom gebruikt worden als een diagnostisch hulpmiddel om te bepalen of een object substellair is — hoewel die “lithiumtest” leeftijdsafhankelijk is en niet in alle gevallen eenduidig.
Eigenschappen en evolutie
Belangrijke eigenschappen van bruine dwergen:
- Temperatuur: variërend van enkele duizenden kelvin voor jonge, zware bruine dwergen tot enkele honderden kelvin voor de koudste, oudste exemplaren. Moderne classificaties gebruiken de spectrale klassen M, L, T en Y, waarbij Y-dwergen de koudste zijn (temperaturen kunnen <300 K bereiken).
- Straal: hun straal ligt ruwweg in de orde van grootte van die van Jupiter, zelfs wanneer de massa tientallen malen groter is—hogere massa’s leiden tot sterkere dichtheid en degeneratiedruk, waardoor de straal nauwelijks toeneemt.
- Opaciteiten en spectra: hun spectra vertonen kenmerken van metaalhydrides, waterdamp, methaan en bij de koudste objecten ook ammoniak; condensatie van stofwolken kan de zichtbare en infrarode kleuren sterk beïnvloeden.
- Warmtebron: ze stralen vooral af door restwarmte uit contractie en door kortdurende fusie van lichte elementen (zoals deuterium). Omdat kernfusie van waterstof niet standhoudt, koelen en verzwakken ze met de leeftijd.
Kleur, licht en detectie
Hoewel de naam 'bruine dwerg' de indruk wekt dat ze bruin van kleur zijn, is hun feitelijke verschijningskleur complex. Veel afbeeldingen tonen ze als roodtinten of zelfs magenta, maar dat komt vaak door beeldvorming met verschillende infrarode filters die voor het menselijk oog zijn omgezet. In het zichtbaar licht zijn veel bruine dwergen extreem zwak (hun absolute magnitude is laag), waardoor ze alleen met gevoelige instrumenten te zien zijn. Daarom zijn ze pas in grote aantallen ontdekt sinds grootschalige infraroodsurveys zoals 2MASS en WISE.
Verschil met sterren en planeten
Samengevat:
- Ten opzichte van sterren: bruine dwergen missen voldoende massa voor duurzame waterstoffusie en blijven dus veel koeler en zwakker dan echte sterren.
- Ten opzichte van planeten: bruine dwergen ontstaan en hebben vaak eigenschappen vergelijkbaar met sterren (zoals vorming in stervormende wolken) en kunnen kernreacties van lichte isotopen uitvoeren; ze bereiken een hogere massa dan normale planeten en vertonen andere structurele fysica (degeneratiedruk speelt een belangrijke rol).
Ontdekking en voorbeelden
Men denkt dat bruine dwergen talrijk zijn in de Melkweg, maar ze zijn moeilijk te vinden vanwege hun zwakke optische helderheid en koelere emissie. De dichtstbijzijnde bekende bruine dwerg is het dubbelobject WISE 1049-5319 (ook bekend als Luhman 16), op ongeveer 6,5 lichtjaar afstand; dit systeem werd in 2013 ontdekt en is sindsdien veel bestudeerd. Andere ontdekkingen volgen vooral uit infrarood-surveys en directe beeldvorming rond nabijgelegen sterren.
Conclusie: bruine dwergen vullen de massazone tussen de grootste planeten en de kleinste sterren. Ze zijn geen 'volwaardige' sterren omdat ze geen langdurige waterstoffusie hebben, maar ze zijn ook meer dan gewone reuzenplaneten doordat ze eigen warmte en in sommige gevallen korte fusieprocessen vertonen. Hun studie helpt ons begrijpen hoe objecten in het grensgebied tussen planeten en sterren ontstaan en evolueren.




