Een tweeklank (ook wel diftong genoemd) is een soort klinker waarbij binnen één syllabe twee verschillende klinkerkwaliteiten hoorbaar zijn: de mond en/of tong verandert van positie terwijl de klinker wordt uitgesproken. Met andere woorden: in plaats van één vaste klinkerklank hoort men een glijdende overgang van het ene klinkergeluid naar het andere. Tweeklanken komen veel voor in het Nederlands en vormen één klinkernucleus binnen een lettergreep.
Een enkele, stabiele klinker heet een monoftong (in het oorspronkelijke artikel genoemd als “monofoon geluid”, dat onjuist is). Een voorbeeld van een monoftong in het Nederlands is het “oe”-geluid in “boek” (/buk/). Een tweeklank daarentegen bevat een korte beweging van de tong of lippen: bij het Nederlandse woord “huis” start de klank dichter bij een [œ]-achtige positie en glijdt zij naar een [y]-achtige positie; het resultaat is één klinkerfunctie met een hoorbare overgang.
Veelvoorkomende Nederlandse tweeklanken
- ei / ij — IPA: /ɛi/ — voorbeelden: ei, ijs, tijd, blij.
- ui — IPA: /œy/ — voorbeelden: huis, luis, zuid, uit.
- au / ou — IPA: /ɑu/ — voorbeelden: oud, auto, goud, lauw.
Naast deze drie karakteristieke Nederlandse diphtongen bestaan er ook combinaties van klinkers en halven (glides) in leenwoorden en uitroepen (bijvoorbeeld oei, hoi), maar de hierboven genoemde drie zijn de meest fonologisch relevante in standaardnederlands.
Uitspraak en variatie
De precieze klank van een tweeklank verschilt per spreker en per regio; verschillende accenten kunnen dezelfde spelling anders uitspreken. In veel dialecten en regiolecten verschuiven de articulatiepunten en kan een tweeklank meer richting een monoftong neigen of juist een duidelijkere glijdende karakteristiek krijgen. Ook spreken sommige sprekers de elementen wat langer of korter uit afhankelijk van klemtoon en tempo.
Etymologie en taalkundige rol
Het woord tweeklank is een letterlijke vertaling van het Griekse begrip diftóngos (van di- “twee” en phthóngos “klank, toon”). In de fonologie spelen tweeklanken een belangrijke rol: ze zijn vaak foneemonderscheidend (ze veranderen de betekenis van woorden, bijvoorbeeld huis versus hoest), en vormen het nucleus van een lettergreep. Een tweeklank kan dus deel uitmaken van het lexicon van een taal of een lexeme en is meestal de klinkerkern van een lettergreep.
Samengevat: een tweeklank is één klinkerwaarneming waarbij het articulatiepunt verandert, niet twee afzonderlijke syllaben. Zowel taalkundig als fonetisch is het onderscheid tussen tweeklanken en monoftongen belangrijk voor uitspraak, spelling en betekenisonderscheid in het Nederlands.