Wanneer we het hebben over bestandssystemen, is een map (ook wel directory, of catalogus genoemd) een georganiseerde opslagplaats voor computerbestanden. Een map bevat verwijzingen naar bestanden en kan andere mappen bevatten, zodat bestanden logisch gegroepeerd en beheerd kunnen worden. Veel programma's werken binnen een huidige werkdirectory — de map waarin de applicatie actief is. In Unix en Linux is een directory een speciaal soort bestand dat verwijzingen (entries) naar andere bestanden en submappen bevat.

Structuur en hiërarchie

Mappen vormen samen vaak een hiërarchische structuur die men een bestandssysteem noemt. Dit wordt meestal voorgesteld als een boom: de wortel (root) is het hoogste niveau, daaronder zitten takken (mappen) en daaronder weer bladeren (bestanden). Submappen fungeren als takken en ondertakken van die boomstam. De software gebruikt deze boomstructuur om gebruikers door mappen te laten navigeren en paden naar bestanden te bepalen.

Paden, relatieve en absolute verwijzingen

Een bestand of map wordt doorgaans aangeduid met een pad. Een absoluut pad begint bij de root (bijv. /home/gebruiker in Unix of C:\Users\ in Windows), terwijl een relatief pad wordt gegeven ten opzichte van de huidige werkdirectory. Bijna elk besturingssysteem kent speciale namen voor de huidige map (bijv. .) en de bovenliggende map (bijv. ..).

Op sommige besturingssystemen kunnen snelkoppelingen of links worden aangemaakt tussen mappen, waardoor het lijkt alsof een map in twee verschillende bovenliggende mappen aanwezig is. Op Unix-systemen spreekt men van een symbolische link (symlink), die vergelijkbaar is met een hyperlink. Unix ondersteunt daarnaast ook hard links, die op bestandssysteemniveau meerdere verwijzingen naar hetzelfde bestand mogelijk maken. Op Windows bestaan snelkoppelingen (bijv. .lnk-bestanden) die naar een andere map of bestand verwijzen.

Bestandssysteemdetails en eigenschappen

Een map bevat meestal metadata zoals eigenaar, permissies (lees-, schrijf- en uitvoerrechten), aanmaak- en wijzigingsdatum en soms extra attributen. In Unix-gebaseerde systemen wordt de inhoud van een directory vaak als een lijst van naam–inode-paren bijgehouden; de directory zelf is dus een speciaal bestandstype dat naar die inodes verwijst. De grootte van een map is niet altijd het totaal van alle bestanden die erin staan, maar kan ook de opslagruimte weergeven die de directory-structuur zelf inneemt.

Beheer en veelgebruikte opdrachten

Beheertaken voor mappen omvatten het aanmaken, hernoemen, verwijderen, verplaatsen en kopiëren van mappen. Voorbeelden van veelgebruikte commando's:

  • Unix/Linux: mkdir (map maken), ls (inhoud tonen), cd (van map wisselen), rmdir of rm -r (verwijderen).
  • Windows: md of mkdir, dir, cd, en Verkenner voor grafische bewerkingen.

Toegankelijkheid, beveiliging en specialiteiten

Mappen spelen een belangrijke rol bij beveiliging: met permissies en toegangscontrolelijsten (ACL's) bepalen systemen wie welke mappen en bestanden mag openen of wijzigen. Sommige systemen ondersteunen ‘verborgen’ mappen (bijv. namen die beginnen met een punt in Unix) of systeemmappen die cruciaal zijn voor de werking van het besturingssysteem. Daarnaast kunnen mappen worden aangesloten als mount points voor andere opslagmedia waardoor meerdere bestandssystemen geïntegreerd lijken in één hiërarchie.

Mappen zijn uiteindelijk geïnspireerd op een echt voorwerp, een dossiermap, maar bieden veel meer flexibiliteit: ze kunnen snel doorzocht worden, bevatten metadata en kunnen via links op verschillende plaatsen toegankelijk gemaakt worden binnen dezelfde boomstructuur.