Jan Hus, of Johannes Huss (ca. 1370 - 6 juli 1415) werd geboren in Husinec, Bohemen (nu Tsjechië). Hij was een Boheemse religieuze denker en hervormer. Hij startte een religieuze beweging die sterk beïnvloed was door de overtuigingen van de Britse geleerde John Wycliffe.
Hus studeerde aan de Universiteit van Praag. Rond 1400 werd hij katholiek priester, en kreeg al snel een positie als prediker in het Tsjechisch, de taal die in Bohemen werd gesproken. Terwijl hij predikte, bestudeerde hij Wycliffe's geschriften, en hij begon ervan te houden, vooral omdat ze zo authentiek en echt waren.
In 1403 vroeg Hus de kerk om het verbod op Wycliffe's geschriften ongedaan te maken, en vertaalde ze in het Tsjechisch. De kerk, geleid door aartsbisschop Zbynek Zajíc, was een andere mening toegedaan. In 1410 beval Zajíc dat Hus' geschriften zouden worden verbrand en dat Hus en zijn volgelingen, de Hussieten, uit de kerk zouden worden gezet. Hus werd in 1411 geëxcommuniceerd, veroordeeld door het Concilie van Konstanz, en op 6 juli 1415 in Konstanz, Duitsland, op de brandstapel gezet.
Toen Hus werd gedood, kwamen zijn volgelingen in opstand en vochten tegen de katholieken tot zij in 1431 werden verslagen.

