Archeognatha is een orde van vleugelloze insecten, ook wel bekend als springende borstelstaarten. Ze behoren tot de insecten die het minst zijn veranderd tijdens de evolutie. Ze verschijnen voor het eerst in de Devoonse periode samen met de spinachtigen (Spinnen). De naam Archaeognatha is afgeleid van het Griekse Archaeos wat "oud" betekent en gnatha wat "kaak" betekent. Dit verwijst naar de articulatie van de kaken, die een enkele condylus hebben, waar alle hogere insecten er twee hebben. Een alternatieve naam, Microcoryphia, komt van het Griekse micro wat "klein" betekent en coryphia wat "hoofd" betekent.
De Orde Archeognatha is eerder gecombineerd met de Orde Thysanura, oftewel bristletails. Beide groepen hebben een drievoudige staart met twee cerci en een epiproct. Archeognatha's verschillen van Thysanura in het feit dat ze hun staart kunnen gebruiken om tot 30 cm in de lucht te springen. Net als Thysanura is het lichaam bedekt met schubben, met een dun exoskelet dat gevoelig is voor uitdroging.
Er zijn ongeveer 350 soorten in de twee families. Ze zijn wereldwijd verspreid, en ongewoon in de insectenwereld omdat ze zelfs te vinden zijn in het noordpoolgebied waar ze leven in bladafval en rotsspleten. Ze voeden zich voornamelijk met algen, maar ook met korstmossen, mossen of rottend organisch materiaal.
Er zijn geen soorten die op dit moment gevaar lopen om in stand te worden gehouden, hoewel de orde een van de slechtst onderzochte soorten onder de insecten is, en daarom kan het zijn dat nog niemand heeft erkend dat er een soort gevaar loopt.
Morfologie en herkenning
Archaeognatha hebben een slank, cilindrisch en vaak enigszins bultig (humpbacked) lichaam van meestal enkele millimeters tot enkele centimeters lang (veel soorten tussen ~6 en 20 mm). De ogen zijn groot en vaak samengegroeid aan de bovenzijde van het hoofd, wat hen een kenmerkende kopvorm geeft. Aan de kop staan lange, beweeglijke antennes. Aan het achtereinde dragen ze drie staartachtige appendages: twee laterale cerci en een middellijnfilament, het epiproct. Het lichaam is bedekt met fijne schubben die soms glanzen (bijvoorbeeld zilverachtig bij sommige soorten).
Unieke kenmerken
Het belangrijkste onderscheidende kenmerk is de bouw van de kaken: Archaeognatha hebben monocondylische kaken (één gewrichtspunt), in tegenstelling tot de tweegewrichtige kaken van veel "hogere" insecten. Verder springen veel soorten door een plotselinge buiging van het achterlijf en gebruiken de cerci en het epiproct bij het afzetten, waardoor ze spectaculaire sprongen kunnen maken tot tientallen centimeters.
Leefwijze en habitat
Deze dieren leven voornamelijk in beschutte, vochtige microhabitatten: onder stenen, schors, in bladafval, tussen mos en korstmossen of in spleten en kieren. Sommige soorten komen ook voor in kustgebieden en rotsige habitats, en een paar zijn aangepast aan koude streken tot hoge breedtegraden (waarom ze zelfs in het noordpoolgebied te vinden zijn). Ze zijn over het algemeen nachtdieren en heel schuw: bij verstoring vluchten ze snel en gebruiken daarbij hun sprongvermogen.
Voeding
Archaeognatha zijn overwegend detritivoren en herbivoren: ze eten voornamelijk algen, korstmossen, mossen en ander microbioom of rottend organisch materiaal. Ze schrapen voedsel van oppervlakken met hun kaken en monddelen.
Voortplanting en ontwikkeling
Voortplanting verloopt meestal via indirecte spermatransfer: mannen produceren een spermatoforenpakketje dat ze op de ondergrond plaatsen; de vrouwtjes nemen dat daarna op. Er is geen copulatie zoals bij veel andere insecten. De eieren worden afgezet in beschutte plaatsen (kieren, spleten). Archaeognatha vertonen ametabole ontwikkeling: jonge nimfen lijken op de volwassenen en ondergaan geen metamorfose. Ze vervellen meerdere keren gedurende hun leven, ook na het bereiken van seksuele volwassenheid (onbepaalde groei).
Verspreiding, fossielen en evolutie
De groep is zeer oud en kent fossielen die teruggaan tot het Paleozoïcum (Devoon en later), wat hun status als "levende fossielen" ondersteunt. Tegenwoordig komen ze wereldwijd voor, met de meeste soorten in gematigde en tropische gebieden, maar ook enkele in subarctische gebieden.
Families en voorbeelden
De orde bevat grofweg twee moderne families, onder andere Machilidae en Meinertellidae, en bekende geslachten zijn onder meer Machilis en Petrobius. In totaal zijn er ruim honderd geslachten en ongeveer 350 beschreven soorten, maar veel regio's zijn nog slecht onderzocht.
Identificatie in het veld
Kijk naar de volgende kenmerken om een springstaart (Archaeognatha) te herkennen: lange antennes, grote samenhangende ogen, drie lange staartuitsteeksels van bijna gelijke lengte, een bultige rug en fijne schubben op het lichaam. Bij verstoring springen ze weg; dat gedrag helpt bij identificatie.
Predatoren en ecologische rol
Ze worden gegeten door verschillende kleine predatoren zoals spinnen, duizendpoten, pissebedden (niet als prooi, maar gedeelde habitat), vogels en insectenetende ongewervelden. Door het verwerken van algen en dode plantendelen spelen ze een rol in de afbraak en het nutrientenhergebruik in bodem- en bosbodemsystemen.
Bescherming en onderzoek
Op dit moment zijn er geen wijdverspreid erkende bedreigde soorten binnen de orde, maar veel soorten zijn slecht bekend en onvoldoende beoordeeld. Habitatverlies, drooglegging en lokale verstoring kunnen wel bedreigend zijn voor habitat-specialisten. Omdat Archaeognatha weinig onderzocht zijn, is verdere inventarisatie en taxonomisch werk nodig om beschermingsstatussen betrouwbaar te bepalen.
Belang voor wetenschap en onderwijs
Archaeognatha zijn belangrijk voor studies over de vroege evolutie van insecten omdat ze veel basale kenmerken behouden. Hun eenvoudige bouw en oude afstamming maken ze geschikt om vragen te beantwoorden over de oorsprong van kaken, de evolutie van het exoskelet en de ontwikkeling van de insectenlichaamsbouw.
Samenvattend: hoewel klein en vaak onopvallend, vormen de springende borstelstaarten van de orde Archeognatha een fascinerende en evolutionair belangrijke groep insecten met unieke morfologische kenmerken, een bijzondere voortplantingswijze en een brede, wereldwijde verspreiding.