Een longbow is een soort boog. Hij was misschien niet zo sterk als een kruisboog, maar kon wel meer pijlen per minuut schieten. Ook kostte de basisuitrusting weinig, en kon gemakkelijk in massa worden geproduceerd. Pijlen met een metalen punt konden door pantser heen gaan. Alleen het sterkste pantser kon het tegenhouden. Boogschutters hadden meestal een tweede wapen, vaak een strijdbijl, als het gevecht dichtbij kwam.
De longbow werd vooral gebruikt in de Middeleeuwen tot in de jaren 1500.
Het werd gemaakt uit één stuk slijtvast, flexibel hout, vaak van een taxusboom. Taxus werd in de winter gekapt, wanneer er geen sap was. De platte kant van de boog die naar het doel is gericht, was van flexibel spinthout, terwijl de buik (naar de schutter gericht) rond was en gemaakt van sterk kernhout (uit het midden van een boom).
Groepen longbowmen schoten tegelijkertijd. De pijlen kwamen als hagel neer. Dit maakte de vijand vaak bang.
Longbows zijn in Europa al in het Mesolithicum gevonden.


