De scheermesschelp kan tot 23 centimeter lang worden. De dorsale rand is recht, terwijl de ventrale rand gebogen is. Hij kan gemakkelijk worden verward met de iets kortere 15 centimeter (5,9 in) en meer gebogen E. ensis (waarbij zowel de voor- als de achterkant parallel gebogen zijn).
Scheermesschelpen hebben een broze schelp, met open uiteinden. De schelp is glad aan de buitenkant en witachtig van kleur, met verticale en horizontale roodbruine of paarsbruine markeringen, gescheiden door een diagonale lijn. Het periostracum is olijfgroen. De binnenzijde is wit met een paarse zweem en de voet is roomwit met bruine lijnen.
Graven in
De scheermesschelp leeft onder het zand en graaft met zijn krachtige voet naar een veilige diepte. Het graven verloopt in zes stadia, herhaaldelijk. Een graafcyclus omvat de gespierde voet (die een groot deel van het lichaam in beslag neemt) en het openen en sluiten van de klep en een uiteinde.
De voet wordt hydraulisch opgeblazen en in het zand geduwd om het dier te verankeren. Het leeglopen van de voet trekt de schelp naar beneden. De scheermesschelp spuit ook water in het zand, waardoor los zand van zijn pad wordt verwijderd. De voet oefent een druk uit van 2 kg/cm2.
De aanwezigheid van de schelp onder het zand blijkt uit een sleutelgatvormig gat in het zand, gemaakt door zijn sifons tijdens het zich in suspensie voeden met plankton.
Voortplanting
Bij de scheermesschelp verloopt de seksuele ontwikkeling in hoge mate synchroon: eitjes en spermacellen worden op hetzelfde ogenblik afgeworpen. In de winter en het voorjaar vinden opeenvolgende kuitschietingen plaats, onderbroken door perioden waarin meer eieren en sperma worden geproduceerd.