Achtergrond en doel
Het Schlieffen-plan was een strategisch plan van graaf Alfred von Schlieffen, die lange tijd chef was van het Duitse Opperbevel (het Generalstaf) en niet van de marine. Het plan werd rond 1905 opgesteld voor het leger van het Duitse Rijk. Het was bedoeld om een tweefrontenoorlog te winnen: praktisch gesproken tegen Frankrijk in het westen en tegen Rusland in het oosten. In theorie zouden Duitsland en haar bondgenoten, zoals Oostenrijk-Hongarije en mogelijk Italië, gelijktijdig optreden. De kern van het plan was een snelle, massale omsingeling van Frankrijk door een grote slingerende beweging door België en Noord-Frankrijk, zodat Frankrijk binnen enkele weken tot maanden verslagen zou worden voordat Rusland volledig kon mobiliseren.
Belangrijkste onderdelen van het plan
- Snelheid en flankbeweging: een enorme rechtse flank die via België om Frankrijk heen zou trekken en Parijs zou omsingelen.
- Concentratie van troepen: zoveel mogelijk troepen inzetten aan de rechterflank om de omsingeling af te maken.
- Logistiek en spoorwegen: snelle verplaatsing van troepen per spoor was cruciaal voor het tempo van operatie.
- Erkenning van verdedigende voordelen: Schlieffen merkte op dat een verdediger via spoorwegen sneller herverdeeld kon worden dan een aanvaller kon lopen; hij was zich bewust van de kracht van loopgraven, machinegeweren en prikkeldraad voor verdediging.
Uitvoering en aanpassingen in 1914
Schlieffen ging in 1906 met pensioen. Twaalf jaar later brak in augustus 1914 de Eerste Wereldoorlog uit — niet in 1915 zoals soms onjuist wordt vermeld — en het plan werd als basis genomen. Helmuth von Moltke de Jongere, die Schlieffen had opgevolgd, voerde in 1914 een gewijzigde versie van het plan uit. Moltke verschoof troepen en verzwakte de oorspronkelijke sterke rechterflank; daarnaast stuurde hij eenheden naar het oostfront toen de Russen sneller mobiliseerden dan verwacht. De Duitse aanval door België wekte hevige weerstand van de Belgen en leidde tot betrokkenheid van de Britse expeditietroepen (BEF).
Waarom het plan faalde in 1914
- Verouderde veronderstellingen: het plan was opgesteld op basis van politieke en militaire omstandigheden van 1905 en hield onvoldoende rekening met veranderingen in mobilisatie, spoorwegnetten en tactieken.
- Wijzigingen door Moltke: de verzwakking van de rechtervleugel maakte de omsingelingsoperatie minder overweldigend.
- Belgische en Britse tegenstand: de vertraging door Belgische verdediging en de inzet van de Franse en Britse troepen (BEF) vertraagden de Duitse opmars.
- Logistiek en terrein: lange aanvoerlijnen, moeizame verplaatsingen en bij momenten zware gevechten remden de snelheid.
- De slag aan de Marne (september 1914): Franse en Britse tegenaanvallen stopten de Duitse opmars en leidden tot stabilisatie van het front, waarna loopgravenoorlog ontstond.
Gedurende de loopgravenoorlog bleken verdedigingen — ondersteund door machinegeweren, prikkeldraad en grondverdediging — in het begin vaak sterker dan aanvallen. Pas toen aanvallers massale hoeveelheden artillerie combineerden met nieuwe methodes (soms ondersteund door ingenieuze vuurcoördinatie en later tanks) kon men aanvallen effectiever maken voor de infanterie.
Vergelijking met de Tweede Wereldoorlog (1940)
In de Tweede Wereldoorlog gebruikten Duitse generaals zoals Erich von Manstein en commandanten als Heinz Guderian concepten van snelheid en omtrek, maar op een andere manier dan het klassieke Schlieffen-plan. In 1940 ontwierp Manstein een plan dat door de Ardennen (zuidelijker, via Luxemburg en Zuid-België) een verrassingsaanval mogelijk maakte. Guderian leidde snelle pantsergroepen die doorstoten naar het Kanaal en zo de geallieerde legers in Noord-Frankrijk en België afsloten.
Het Duitse plan van 1940 week af van het Schlieffen-model doordat het sterk leunde op mobiele pantserstrijdkrachten (blitzkrieg) en radiocommunicatie, en doordat het juist de verwachting van de Fransen misbruikte dat een grote aanval door Noord-België zou komen. Hoewel veel geallieerde troepen ingesloten raakten en grote verliezen leden, konden veel Britse soldaten via de evacuatie van Duinkerke (Dunkirk) worden gered; Frankrijk capituleerde uiteindelijk in juni 1940.
Samenvatting
- Het Schlieffen-plan was bedoeld om een snel besluit tegen Frankrijk af te dwingen door een grote flankbeweging via België.
- Het plan was goed doordacht voor 1905 maar hield onvoldoende rekening met de ontwikkelingen in mobilisatie, politiek en tactiek die in de jaren daarna plaatsvonden.
- In 1914 werd het plan gewijzigd en uiteindelijk niet succesvol uitgevoerd; oorzaken waren tactische aanpassingen, felle tegenstand, logistieke problemen en de snelle Russische mobilisatie.
- Elementen van het idee van snelle omsingeling en het gebruik van beweging bleven invloedrijk en werden later in gewijzigde vorm toegepast tijdens de Tweede Wereldoorlog.


