De Charophyceae zijn de groene algen die het dichtst bij planten staan.
Hun exacte rang is het onderwerp van een of ander debat. Sommige botanici bevelen aan om het bestaande plantenrijk uit te breiden met charofyten en chlorofyten.
Anderen classificeren Charophyceae als een klasse onder divisie Charophyta, waarbij Chlorophyta een aparte divisie blijft. Er zijn ook andere mogelijkheden.
De consensus onder botanici is dat charofielen de organismen zijn die het nauwst verwant zijn aan landplanten (embryofyten).
Veel van de complexe planteneigenschappen met betrekking tot de seksuele voortplanting zijn als eerste geëvolueerd bij de charofyceeën. Analyse van cpDNA (chloroplast DNA) laat zien dat de eigenschappen van plantaardige chloroplasten ook eerst bij de charofyceeën evolueerden, voordat de Zygnematalen afweken van de lijn die leidde tot Coleochaetales, Charales, en de landplanten.
Groepen die over het algemeen zijn opgenomen in de Charophyceae zijn:
Kenmerken
Charofyten (breder: streptofyte algen) delen verschillende morfologische en fysiologische eigenschappen met landplanten, wat de nauwe verwantschap verklaart:
- Chloroplasten en fotosynthese: Ze hebben chlorofyl a en b en slaan koolhydraten op als zetmeel in de plastiden, net als landplanten.
- Celwanden en sporopollenine: Veel charofyten produceren polymeerachtige verbindingen die verwant zijn aan sporopollenine, een bestanddeel dat in pollen en sporen van landplanten voorkomt en bescherming biedt tegen uitdroging.
- Cytokinese en plasmagroei: Sommige charofyten (vooral de meer complexe groepen) vertonen phragmoplast-achtige cytokinese en hebben plasmodesmata — cellulaire verbindingen die communicatie tussen cellen mogelijk maken, een belangrijk kenmerk van veervoudig weefsel bij embryofyten.
- Voortplanting: Seksuele voortplanting vertoont vaak oogamie (grote niet-beweeglijke eicellen en beweeglijke mannelijke cellen) of conjugatie tussen gelijkwaardige cellen. In groepen als Charales en Coleochaetales komen gespecialiseerde voortplantingsorganen (oogonia, antheridia) voor.
- Opslag en metabolisme: Biochemisch vertonen charofyten veel overeenkomsten met landplanten, bijvoorbeeld in de samenstelling van enzymatische routes voor fotosynthese en photorespiratie.
Levenscyclus en voortplanting
De levenscycli van charofyten variëren: sommige hebben relatief eenvoudige haploïde-dominante cycli, andere vertonen complexere patronen en kenmerken die lijken op die van embryofyten. Belangrijke punten:
- In Coleochaete en enkele andere groepen wordt de bevruchte eicel (zygote) vaak langer vastgehouden door het vrouwelijke weefsel, wat wordt gezien als een voorlopige stap richting zygotebehoud en embryonale ontwikkeling zoals bij landplanten.
- Zygnematales (bijv. Spirogyra, Zygnema) planten zich vaak voort door conjugatie waarbij twee cellen fuseren; beweging van spermatozoïden ontbreekt bij veel soorten.
- Charales (bijv. Chara, Nitella) hebben meervoudig geflagelleerde spermatozoïden en duidelijke oogonia/antheridia-structuren; hun morfologie is vrij complex en vergelijkbaar met eenvoudige plantachtige structuren.
Fylogenie en evolutie
De precieze verwantschappen binnen de zogenaamde charofyten en tussen deze groepen en de landplanten zijn onderwerp van actief onderzoek en hebben zich de afgelopen decennia verder ontwikkeld. Enkele punten om te benadrukken:
- Historische indeling: De term "Charophyceae" werd vroeger ruim gebruikt voor een groot deel van de groep van streptofyte algen. Moderne fylogenieën splitsen het vaak in meerdere klassen (bijv. Mesostigmatophyceae, Chlorokybophyceae, Klebsormidiophyceae, Charophyceae s.str., Coleochaetophyceae, Zygnematophyceae).
- Recente genomische inzichten: Recente fylogenomische en transcriptomische studies tonen aan dat de Zygnematophyceae (de groep die Spirogyra en verwanten omvat) vaak de zusterclade van de landplanten (embryofyten) zijn. Dat betekent dat landplanten waarschijnlijk geëvolueerd zijn uit een voorouder die verwant was aan de moderne Zygnematophyceae, hoewel morfologische complexiteit (zoals die van Charales) ook belangrijke plantaardige kenmerken toont.
- Eerder cpDNA-onderzoek: Eerdere analyses van chloroplast-DNA en enkele morfologische kenmerken suggereerden een andere volgorde van divergerende lijnen (zoals in de oorspronkelijke tekst genoemd). Nieuwere, ruimere datasets en genoomanalyse hebben die inzichten verfijnd en deels bijgesteld; de algemene conclusie blijft echter dat charofyten de belangrijkste groep zijn om te bestuderen bij het begrijpen van de overgang van water naar land.
Belang en ecologie
Charofyten zijn vooral in zoetwatermilieus te vinden (meren, ondiepe plassen, langzaam stromende wateren), maar sommige groepen komen ook voor in vochtige terrestrische habitats of brakke omstandigheden. Hun ecologische rollen:
- Ze kunnen dichte matten of 'weiden' vormen die als habitat dienen voor vele kleine dieren en micro-organismen en bijdragen aan waterhelderheid door nutriëntopname.
- Charofyten worden vaak gebruikt als indicatoren voor waterkwaliteit: hun aanwezigheid duidt vaak op helder, kalkrijk water met relatief weinig eutrofiëring.
- Ze hebben tevens paleolimnologische waarde: fossiele resten en kalkstructuren (bijvoorbeeld bij sommige Charales) helpen bij reconstructies van vroegere zoetwateromstandigheden.
Voorbeelden en groepen
De groep die men traditioneel onder Charophyceae plaatst, wordt vandaag vaak verdeeld in verschillende orders/klassen. Enkele belangrijke groepen en typische geslachten:
- Mesostigmatales — Mesostigma: kleine, flagellate algen die als basale streptofyten worden beschouwd.
- Chlorokybales — Chlorokybus: eenvoudig gebouwde, kolonievormende soorten, ook beschouwd als basal binnen de streptofyten.
- Klebsormidiales — Klebsormidium: in water en op vochtige terrestrische substraten voorkomende draadvormige algen.
- Zygnematales (Zygnematophyceae) — Spirogyra, Zygnema, Mougeotia: veelvoorkomende filamentachtige of plaatvormige algen; moderne studies plaatsen deze groep vaak als zuster van de embryofyten.
- Coleochaetales (Coleochaetophyceae) — Coleochaete: platte, weefselachtige algen die zygoten kunnen vasthouden; werden lange tijd als belangrijke modellen gezien voor het ontstaan van het embryonale stadium bij landplanten.
- Charales (Charophyceae s.str.) — Chara, Nitella: macroscopische, complex gebouwde algen met nodale en internodale structuren; morfologisch vergelijkbaar met eenvoudige planten.
Fossielen en overgang naar land
Het fossiele bewijs voor de overgang van water naar land omvat zowel sporen/teksturen (sporopollenine-achtige resten) als macrofossielen van algenachtige organismen. Specifieke afbakening van welke moderne groep het dichtst bij het voorouderlijke type staat blijft lastig, maar charofyten leveren cruciale aanwijzingen voor de evolutionaire stappen die nodig waren om op land te gaan (bescherming tegen uitdroging, aanpassing van voortplanting, cel-celcommunicatie, enz.).
Samenvattend
Charofyten (in de brede zin: streptofyte algen) vormen een para- of monofyletische verzameling groepen die evolutionair nauw verbonden zijn aan landplanten. Hun morfologie, biochemie en genoomgegevens helpen verklaren welke aanpassingen het mogelijk maakten dat planten het land koloniseerden. De precieze taxonomische indelingen blijven onderwerp van discussie en worden voortdurend aangepast naarmate grotere en diepgaandere moleculaire datasets beschikbaar komen.


.jpg)