De grootte van een wiskundig object is zijn omvang: een eigenschap waardoor het groter of kleiner kan zijn dan andere objecten van dezelfde soort.

In wiskundige taal zou men zeggen: Het is een ordening van de klasse van objecten waartoe het behoort.

De oude Grieken maakten onderscheid tussen verschillende soorten magnitude, waaronder:

  • (positieve) fracties
  • lijnstukken (gerangschikt op lengte)
  • Vliegtuigcijfers (gerangschikt naar oppervlakte)
  • Vaste stoffen (gerangschikt naar volume)
  • Hoeken (gerangschikt naar hoekmagnitude)

Zij hadden bewezen dat de eerste twee niet hetzelfde konden zijn, of zelfs isomorfe systemen van magnitude. Zij beschouwden negatieve grootheden niet als zinvol, en magnitude wordt nog steeds voornamelijk gebruikt in contexten waarin nul ofwel de laagste grootte is, ofwel minder dan alle mogelijke grootheden.