De magnitudeschaal van Richter is een schaal van getallen die wordt gebruikt om de kracht (of magnitude) van aardbevingen aan te geven. Charles Richter ontwikkelde de schaal in 1935, samen met collega's aan het California Institute of Technology. De oorspronkelijke schaal was gebaseerd op amplitudes die werden afgelezen van een bepaald type seismograaf (de Wood‑Anderson torsie‑seismograaf) en genormaliseerd voor een hypothetische afstand van 100 kilometer van de bron; het resultaat werd weergegeven als een waarde op de schaal. Een seismogram, gemeten door een bepaald type seismometer, levert de ruwe amplitudewaarden waarop deze berekening is gebaseerd.

Logaritmische aard en energie

De schaal is logaritmisch: elke toename van 1 op de schaal van Richter betekent een toename van de gemeten amplitude met een factor 10. De vrijgekomen energie groeit nog veel sterker: ongeveer met een factor 10^1,5 per magnitude‑eenheid, dat is ongeveer 31,6 (vaak afgerond op ~32). Concreet betekent dit bijvoorbeeld dat een aardbeving van magnitude 3,0 ongeveer 10 keer grotere amplitude heeft dan een magnitude 2,0‑gebeurtenis, en ongeveer 31,6 keer meer energie vrijmaakt.

Wat betekent een magnitude in de praktijk?

  • Magnitude < 2,0: meestal niet gevoeld door mensen; alleen geregistreerd door instrumenten.
  • Magnitude 2,0–3,9: licht, soms gevoeld als een trilling.
  • Magnitude 4,0–4,9: duidelijk voelbaar; lichte schade mogelijk dichtbij het epicentrum.
  • Magnitude 5,0–6,9: matig tot sterk; schade aan gebouwen is mogelijk, afhankelijk van afstand en constructie.
  • Magnitude > 7,0: zware tot zeer zware aardbevingen die grote schade en slachtoffers kunnen veroorzaken.

Aardbevingen van 4,5 of hoger op de schaal van Richter kunnen over de hele wereld worden gemeten met het globale netwerk van seismometers. Hoe verder weg een meetstation, hoe zwakker de amplitude en hoe meer correcties (voor afstand en bodem) nodig zijn om een consistente magnitude te bepalen.

Beperkingen en moderne vergelijkbare schalen

De door Richter voorgestelde methode (vaak aangeduid als lokale magnitude, ML) werkt goed voor middelgrote aardbevingen dichtbij het meetstation, maar 'saturiseert' voor zeer grote beving—deze methode onderschat dan de energie van de grootste aardbevingen. Daarom gebruiken seismologen tegenwoordig meestal de momentmagnitude (Mw), die is gebaseerd op het totale vervormingswerk (seismisch moment) en nauwkeuriger is voor grote gebeurtenissen. Daarnaast is het belangrijk het verschil te zien tussen magnitude (hoeveel energie vrijkomt) en intensiteit (de lokale effecten en schade), waarbij intensiteit vaak met de schaal van Mercalli wordt uitgedrukt.

Grootste geregistreerde aardbevingen

De aardbeving met de grootste geregistreerde magnitude was de Grote Chileense Aardbeving (Valdivia, 1960). Deze gebeurtenis wordt algemeen gegeven als magnitude 9,5 (Mw) en veroorzaakte een verwoestende tsunami en grote regionale schade; naar schatting vielen er duizenden slachtoffers (schaattingen lopen uiteen, vaak tussen ongeveer 1.000 en 6.000 doden). Tot op heden is er nooit een aardbeving met een geregistreerde magnitude van 10 of hoger geweest — zo'n gebeurtenis zou extreem grote breuklengtes en verschuivingen vereisen en wordt door de feitelijke tektoniek van de aarde als zeer onwaarschijnlijk beschouwd.

(Aangepast uit documenten van de U.S. Geological Survey)