Het Oud Perzisch is een van de twee geattesteerde Oud-Iraanse talen (naast het Avestisch). Het werd gebruikt tijdens het Achaemenidische tijdperk (ca. 600 v. Chr. tot 300 v. Chr.). Voorbeelden van Oud Perzisch zijn gevonden in het huidige Iran, Irak, Turkije en Egypte.

 

Geschiedenis en gebruik

Oudperzisch was de taal die vooral in koninklijke en bestuurlijke contexten van het Achaemenidische rijk gebruikt werd. Het komt voornamelijk voor in monumentale inscripties, koningschronieken en enkele administratieve teksten. De bekendste en belangrijkste bron is de Behistun-inscriptie van koning Dārayavauš (Darius I), die cruciaal was voor de ontcijfering van de taal en het schrift.

Het schrift

Oudperzisch werd meestal geschreven in een speciaal voor deze taal ontwikkeld spijkerschrift, vaak aangeduid als Oudperzisch cuneiform. Dit schrift is afgeleid van Mesopotamische cuneiforme tradities, maar is veel eenvoudiger en grotendeels alfabetisch/aksofatisch van aard. Het schrift bevat fonetische tekens voor medeklinkers en klinkers, enkele logogrammen en cijfers, en werd doorgaans van links naar rechts geschreven. Het is ontworpen in de tijd van Darius I en werd toegepast voor grote monumentale teksten die bedoeld waren om de macht en legitimiteit van de koning te tonen.

Taalstructuur en kenmerken

Oudperzisch behoort tot de Indo-Iraanse tak van de Indo-Europese taalfamilie en staat daarmee dichtbij andere oude Indo-Iraanse talen zoals het Avesta en het Oud-Indisch (Sanskriet). Enkele karakteristieken:

  • Naamvallen en verbuigingen: de taal heeft een systeem van naamvallen en flexie dat vergelijkbaar is met andere oude Indo-Europese talen; vormen geven onder meer nominatief en genitief aan.
  • Werkwoordelijke morfologie: werkwoorden markeren persoon, getal en tijd/aspect, met verschillende affixen en stammen voor vervoeging.
  • Fonologie: onderscheid tussen korte en lange klinkers en een reeks van medeklinkers waaronder stops, nasalen en liquidae; het systeem vertoont overeenkomsten met vroege Indo-Iraanse reconstructies.

Corpus en belangrijke inscripties

Het bewaarde corpus Oudperzische teksten is relatief beperkt maar van grote historische waarde. De belangrijkste vindplaatsen en teksten zijn:

  • Behistun (Bisotun): grote drietalige inscriptie (Oudperzisch, Elamitisch, Babylonisch) van Darius I — instrumenteel voor de ontcijfering.
  • Persepolis en nakomelingen: koninklijke inscriptions op palazzi en monumenten van het Achaemenidische centrum.
  • Verspreide koninklijke inscripties in gebieden waar het rijk controle uitoefende, zoals Anatolië, Mesopotamië en Egypte.

Ontcijfering en onderzoek

In de 19e eeuw leidden kopieën van de Behistun-inscriptie en vergelijkende studie tot de ontcijfering van het Oudperzische schrift. Belangrijke onderzoekers waren onder anderen Henry Rawlinson en Christian Lassen. Sindsdien is Oudperzisch onderwerp van taalkundig, epigrafisch en historisch onderzoek; moderne grammatica's en woordenboeken maken de taal toegankelijk voor studenten en onderzoekers.

Nalatenschap

Oudperzisch is niet direct identiek aan het moderne Perzisch (Farsi), maar vormt een van de historische bronnen waaruit de latere vormen van het Perzisch (via Middenperzisch / Pahlavi) zijn voortgekomen. Cultureel en historisch levert het belangrijke informatie over de administratieve organisatie, titulatuur en zelfrepresentatie van het Achaemenidische rijk.

Voorbeeldwoord: xšāyaθiya – vaak vertaald als "koning" of "heerser"; in koningsnamen komt ook Dārayavauš (Darius) veel voor.