Rabiës is een neurotropisch (naar de neuronen verwijzend) virus uit het geslacht Lyssavirus (familie Rhabdoviridae), een virale zoönose (kan door dieren op mensen worden overgebracht) die acute encefalitis veroorzaakt. Het virus infecteert voornamelijk het zenuwstelsel en vermenigvuldigt zich in zenuwcellen.

Meestal sterven mensen (en dieren) eraan (het is dodelijk). Er bestaat geen betrouwbare genezing zodra de klassieke symptomen optreden; tijdige behandeling na blootstelling kan de ziekte echter voorkomen en geeft een goede overlevingskans.

De ziekte wordt overgedragen via het speeksel en het bloed. De gebruikelijke vorm om de ziekte op te lopen is een beet van een hondsdol zoogdier. Huisdieren, zoals honden, moeten in de meeste landen tegen de ziekte worden ingeënt.

Oorzaken en reservoir

Rabiës wordt veroorzaakt door lyssavirussen; wereldwijd zijn wilde en gedomesticeerde zoogdieren reservoirs. In veel gebieden zijn houtroofdieren en vleermuizen belangrijke dragers. Niet elk dier met rabiës gedraagt zich hetzelfde — symptomen variëren van teruggetrokken gedrag tot agressie of verlamming.

Overdracht

  • Meest voorkomend: een beet waardoor speeksel van een geïnfecteerd dier in het lichaam komt.
  • Minder vaak: krabben of likken van een open wond of slijmvliezen (ogen, mond), waarbij speeksel contact maakt.
  • Zeer zeldzaam: transmissie via organentransplantatie of via aerosolen in afgesloten ruimtes met hoge concentraties virus (bijvoorbeeld bepaalde vleermuizenkolonies).
  • Belangrijk: rabiës wordt niet overgedragen via onbeschadigde huid of gewoon contact zoals aaien.

Symptomen

De klachten verlopen meestal in fasen. Vroege, algemene klachten kunnen enkele dagen tot weken bestaan, gevolgd door ernstige neurologische verschijnselen:

  • Prodromale fase: koorts, hoofdpijn, malaise, branderig of tintelend gevoel rond de bijtwond.
  • Vurige (klassieke) vorm: agitatie, verwarring, hallucinaties, overmatig speeksel, moeite met slikken, hydrofobie (angst voor water) en aerofobie (angst voor luchtstromen).
  • Verlamde (dode) vorm: progressieve verlamming, ademhalingsproblemen, coma.

Incubatieperiode

De incubatietijd (tijd tussen besmetting en het begin van symptomen) is meestal 1–3 maanden, maar kan variëren van minder dan een week tot meerdere jaren. Factoren die de incubatieduur beïnvloeden zijn de afstand van de beet tot het centrale zenuwstelsel (beten aan hoofd/nek geven vaak kortere incubatie) en de ernst van de verwonding.

Diagnose

De diagnose berust op klinische verdenking bij symptomen in combinatie met voorgeschiedenis (bijvoorbeeld beet). Laboratoriumonderzoek kan het virus aantonen via PCR, detectie van virusantigeen in huidbiopten of neus- en keelmonsters, en serologie (antilichamen) in bloed en cerebrospinaal vocht. Ante-mortem diagnostiek kan complex zijn; soms is bevestiging pas mogelijk na overlijden.

Behandeling

Er is geen specifieke, bewezen curatieve behandeling zodra neurologische symptomen optreden. Behandeling van symptomatische patiënten is ondersteunend en intensief. De belangrijkste en effectieve maatregel is preventie na blootstelling (post-exposure prophylaxis, PEP).

  • Onmiddellijke en grondige wondverzorging: spoel de wond ten minste 15 minuten met water en zeep en gebruik indien mogelijk een ontsmettingsmiddel (bijv. alcohol of jodiumoplossing).
  • Medische beoordeling zo snel mogelijk: start van PEP bij aanwijzingen voor risicovolle blootstelling.
  • PEP bevat doorgaans: meerdere doses rabiësvaccin volgens lokaal aanbevolen schema en, bij personen die nooit eerder gevaccineerd zijn en bij ernstige blootstelling, toediening van rabiesimmunoglobuline (RIG), bij voorkeur geïnfiltreerd rond de wond en zo nodig systemisch.
  • Mensen die eerder volledig waren gevaccineerd krijgen meestal alleen een kortere vaccinboost (raadpleeg lokale richtlijnen en een arts).

Preventie

  • Vaccinatie van huisdieren: honden, katten en andere huisdieren jaarlijks of volgens lokale regelgeving vaccineren.
  • Vermijd contact met wilde dieren: voer geen wilde dieren; raak vleermuizen, wasberen, vossen en andere verdachte dieren niet aan.
  • Pre-exposure vaccinatie: aanbevolen voor mensen in hoogrisicoberoepen (dierenartsen, labo personeel), en reizigers naar gebieden met beperkte toegang tot medische zorg. Schema’s en noodprocedures verschillen per land.
  • Publieke gezondheidsmaatregelen: toezicht, vaccinatiecampagnes bij hondenpopulaties en meldingsplicht van bijtincidenten voorkomen menselijk rabiës.

Wat te doen bij een beet of blootstelling

  • Was de wond onmiddellijk met water en zeep gedurende minstens 15 minuten.
  • Breng een ontsmettingsmiddel aan en zoek direct medische hulp.
  • Probeer het dier te identificeren en, indien mogelijk, laat het dier observeren of testen volgens lokale procedures.
  • Volg de instructies van de arts over PEP en vaccinatieschema’s; wacht niet met behandeling.

Prognose en volksgezondheid

Zodra neurologische symptomen zich hebben ontwikkeld is de prognose zeer slecht; sterfte is hoog. Wereldwijd is hondenoverdracht de belangrijkste oorzaak van menselijke rabiës; grootschalige vaccinatie van honden en snelle medische zorg na beten hebben aangetoond dat menselijke rabiës kan worden teruggedrongen of geëlimineerd in regio’s met effectieve campagnes. De WHO en andere organisaties streven ernaar om hond-gemedieerde menselijke rabiës te verminderen en uiteindelijk te elimineren.

Bij twijfel of na een dierenbeet: neem zo snel mogelijk contact op met een arts of de lokale gezondheidsautoriteit. Strikte en snelle opvolging van wondverzorging en medische behandeling kan levens redden.