De Slag bij Jutland was de belangrijkste zeeslag in de Eerste Wereldoorlog.

In WO I werd de Duitse vloot geblokkeerd door de grotere Royal Navy. Voor het grootste deel werd ze op haar basis in Wilhelmshaven gehouden. De Slag bij Jutland vond plaats toen de Duitse vloot, onder leiding van admiraal Reinhard Scheer, probeerde uit te breken in open zee. De Duitse vloot bestond uit 22 slagschepen, vijf slagkruisers, 11 kruisers en 61 torpedoboten. Scheer had ook onderzeeërs met torpedo's. Deze stelde hij op buiten de belangrijkste Britse bases.

De belangrijkste Britse bases bevonden zich in Schotland: de Orkney- en Shetlandeilanden hadden een enorme basis in Scapa Flow, en bases op het vasteland waren in Cromarty aan de Moray Firth en in Rosyth aan de noordoever van de Firth of Forth.

De Britse vloot stoomde dus vanuit hun bases naar het zuidoosten en ontmoette de Duitse vloot die naar het noorden stoomde. De slag werd uitgevochten over een groot gebied bij de Jutland Bank ten westen van het Skagerrak tussen Noorwegen en Denemarken.