Een bovenjas, of surcote, was een bovenkleding die in de Middeleeuwen vaak door mannen werd gedragen. Ongeveer 100 jaar later begonnen vrouwen surjassen te dragen. Het kan een jas zijn die over andere kledingstukken wordt gedragen of het bovenkledingstuk dat gewoonlijk over een pantser wordt gedragen. De naam komt van het Franse woord "over de cotta", een lange, wijde jas die tot aan de voeten reikt zonder mouwen.

Vanaf ongeveer de 12e eeuw droegen de ridders lange en vloeiende surjassen over hun harnas. Ze lieten vaak het wapen van de drager zien. Een riddersurvee reikte bijna tot aan de enkels. Het had spleten (sneden) in de bodem voor en achter zodat een drager kon zitten. Het had ook geen mouwen. Een van de doelen van de surjas was om het harnas te beschermen tegen de regen. Een ander gebruik was tijdens de kruistochten om het pantser koeler te houden in de zon.

In het midden van de 14e eeuw werd de lange surrogaatjas vervangen door de "Jupon" (of "Gipon"). Dit was een veel korter kledingstuk, dat vaak gewatteerd was voor extra bescherming. Zodra pakken van plaat (massief) pantser gemeengoed werden, werd de surjas niet meer gebruikt.