Het onderzoek van Roux was gebaseerd op het begrip Entwicklungsmechanik of ontwikkelingsmechanica. Zijn methode bestond erin in te grijpen in zich ontwikkelende embryo's en het resultaat te observeren. Roux' onderzoek werd voornamelijk uitgevoerd op kikkereieren om de vroegste structuren in de ontwikkeling van amfibieën te onderzoeken. Zijn doel was Darwinistische processen aan het werk te tonen op cellulair niveau.
In 1888 publiceerde Roux de resultaten van een reeks defectexperimenten waarbij hij 2- en 4-cellige kikkerembryo's nam en de helft van de cellen van elk embryo doodde met een hete naald. Hij meldde dat ze uitgroeiden tot halve embryo's en veronderstelde dat de afzonderlijke functie van de twee cellen reeds was vastgesteld. Dit bracht hem tot zijn "mozaïektheorie": na een paar celdelingen zou het embryo als een mozaïek zijn, waarbij elke cel zijn eigen unieke rol zou spelen in het gehele ontwerp.
Na enkele jaren werd Roux' theorie weerlegd door de studies van zijn collega Hans Driesch en later toonde Hans Spemann met meer precisie aan dat de conclusies van Driesch in de regel juist waren, maar dat resultaten als die van Roux kunnen worden verkregen na ingrijpen op bepaalde vlakken. Ondanks deze vroege misstap zou Roux' baanbrekende mechanische methodologie zeer vruchtbaar blijken in de biologie van de 20e eeuw.