Nero aan Galba
In juni 68 nam de Senaat het initiatief om zich van Nero te ontdoen, verklaarde hem tot staatsvijand en Galba tot keizer. De Praetoriaanse Garde werd omgekocht om Nero te verraden, en Nero pleegde zelfmoord. Galba werd als keizer erkend en aan het hoofd van zijn legioenen in de stad verwelkomd
Galba bleef niet lang populair. Op zijn tocht naar Rome verwoestte hij steden die hem niet onmiddellijk aanvaardden of legde hij enorme boetes op. In Rome schrapte Galba alle hervormingen van Nero, waaronder uitkeringen aan vele belangrijke personen. Ook het leger was niet gelukkig. Na zijn veilige aankomst in Rome weigerde Galba de beloningen uit te betalen die hij had beloofd aan soldaten die hem hadden gesteund. De Romeinse schatkist was er inderdaad slecht aan toe na Nero's uitspattingen, maar Galba ging niet goed met de situatie om.
Evenals Nero had Galba angst voor samenzweerders en executeerde hij vele senatoren en equites zonder vorm van proces. Bovendien weigerden de legioenen van Germania Inferior bij de aanvang van het burgerlijk jaar 69 op 1 januari trouw en gehoorzaamheid te zweren aan de nieuwe keizer. De volgende dag riepen de legioenen Vitellius, hun gouverneur, uit tot keizer.
Marcus Salvius Otho kocht de Praetoriaanse Garde, die reeds zeer ontevreden was met de keizer, om aan zijn kant. Toen Galba van de staatsgreep hoorde, ging hij de straat op in een poging de situatie te normaliseren. Het bleek een vergissing, want hij kon geen aanhangers aantrekken. Kort daarop doodde de Praetoriaanse Garde hem op het Forum.
Otho aan Vitellius
Otho werd diezelfde dag door de senaat als keizer erkend. De nieuwe keizer werd met opluchting begroet. Hoewel ambitieus en hebzuchtig, had Otho geen staat van dienst voor wat betreft tirannie of wreedheid en er werd verwacht dat hij een rechtvaardig keizer zou zijn. Maar vanuit Duitsland rukten problemen op in de vorm van Vitellius.
Vitellius had de beste elite legioenen van het rijk achter zich, samengesteld uit veteranen van de Germaanse Oorlogen. Dit zouden zijn beste argumenten blijken te zijn om aan de macht te komen. Otho wilde geen nieuwe burgeroorlog beginnen en stuurde afgezanten om een vrede voor te stellen en Vitellius uit te nodigen zijn schoonzoon te worden. Het was te laat om te redeneren; Vitellius' generaals hadden de helft van zijn leger op weg naar Italië. Na een reeks kleine overwinningen werd Otho in de Slag bij Bedriacum verslagen. In plaats van te vluchten en een tegenaanval uit te voeren, besloot Otho een einde te maken aan de anarchie en pleegde zelfmoord. Hij was iets meer dan drie maanden keizer geweest.
Vitellius tot Vespasianus
Op het nieuws van Otho's zelfmoord, werd Vitellius door de Senaat als keizer erkend. Met deze erkenning vertrok Vitellius naar Rome. Vanaf het begin van zijn bewind had hij problemen. De stad was zeer sceptisch toen Vitellius een dag met slechte voortekenen (volgens het Romeinse bijgeloof) uitkoos om het ambt van Pontifex Maximus te aanvaarden.
De gebeurtenissen zouden hen schijnbaar gelijk geven. Met de troon stevig in handen begon Vitellius aan een reeks feesten, banketten en triomfantelijke optochten die de keizerlijke schatkist dicht bij het bankroet brachten. Schulden werden snel opgebouwd en geldschieters begonnen terugbetaling te eisen.
Vitellius toonde zijn gewelddadige aard door opdracht te geven tot foltering en executie van degenen die dergelijke eisen durfden te stellen. Vitellius ging over tot het doden van burgers die hem als hun erfgenaam hadden aangewezen, vaak samen met eventuele mede-erfgenamen. Bovendien achtervolgde hij elke mogelijke rivaal, nodigde hen uit in het paleis met beloften van macht om hen vervolgens te laten vermoorden.
Vespasianus had van Nero in 67 een speciaal commando in Judea gekregen met de opdracht de Grote Joodse Opstand te beëindigen. Hij kreeg de steun van de gouverneur van Syrië, Gaius Licinius Mucianus. Een sterke strijdmacht van de Judese en Syrische legioenen marcheerde naar Rome onder het bevel van Mucianus. Vespasianus zelf reisde naar Alexandrië, waar hij op 1 juli tot keizer was uitgeroepen, en verkreeg zo de controle over de vitale graanvoorraden van Egypte. Vespasianus' zoon Titus bleef in Judaea om af te rekenen met de Joodse opstand. Voordat de oostelijke legioenen Rome konden bereiken, riepen ook de Danubische legioenen van de provincies Raetië en Moesië in augustus Vespasianus tot keizer uit, en vielen onder leiding van Marcus Antonius Primus Italië binnen. In oktober behaalden de door Primus geleide troepen een verpletterende overwinning op het leger van Vitellius in de Tweede Slag bij Bedriacum.
Omringd door vijanden deed Vitellius een laatste poging de stad aan zijn kant te winnen, waar nodig met steekpenningen en beloften van macht. Het Donau-leger was nu zeer dicht bij Rome. Vitellius dook onder en bereidde zich voor om te vluchten, maar besloot tot een laatste bezoek aan het paleis. Daar werd hij door Vespasianus' mannen gepakt en gedood. Bij de inname van de hoofdstad, brandden zij de tempel van Jupiter af.
De Senaat erkende Vespasianus als keizer de volgende dag. Het was 21 december 69, het jaar dat was begonnen met Galba op de troon.