Boynton v. Virginia, 364 U.S. 454 (1960), was een beslissing van het Hooggerechtshof van de Verenigde Staten. Op 20 december 1958 verliet Bruce Boynton, een laatstejaarsstudent van de Howard Law School, Washington,D.C. in een bus om met Kerstmis naar huis te gaan naar Montgomery, Alabama. Bij het busstation in Richmond, Virginia ging hij het restaurant binnen en zat hij in het "white only" gedeelte. Omdat hij weigerde te vertrekken werd hij gearresteerd en veroordeeld voor het overtreden van een statuut van Virginia waardoor het illegaal is dat iemand "zonder wettig gezag" blijft nadat hem dat verboden is. Hij ging vervolgens in beroep bij het Hooggerechtshof van Virginia. Hij beweerde dat zijn veroordeling in strijd was met de Interstate Commerce Act en de Equal Protection, Due Process and Commerce Clauses van de federale grondwet. Maar het Hooggerechtshof van de staat bevestigde zijn veroordeling. Hij diende vervolgens een verzoekschrift in bij het Hooggerechtshof van de Verenigde Staten voor certiorari.
Feiten en procedure
De zaak draait om de vraag of een persoon die reist per vervoermiddel tussen staten bescherming heeft tegen rassendiscriminatie in diensten die samenhangen met dat vervoer. Boynton, als interstatelijke reiziger, weigerde het "white only"-gedeelte van het restaurant in het busstation te verlaten en werd daarop volgens staatsrecht vervolgd. Zijn juridische klacht was dat de veroordeling conflicteerde met federale wetgeving en grondwettelijke garanties die ongerechtvaardigde discriminatie in de interstatelijke handel verbieden.
Rechtsvraag en uitspraak
Het Amerikaanse Hooggerechtshof draaide de veroordeling van het lagere gerechtshof terug. Het Hof oordeelde dat Boynton een federaal recht had om in het witte gedeelte van het restaurant te blijven, aangezien de Interstate Commerce Act elk interstatelijk gewoon vervoerder met een motorvoertuig verbiedt om eender welke persoon te onderwerpen aan onrechtvaardige discriminatie. Het Hof beschouwde faciliteiten binnen een busstation die interstatelijke passagiers bedienen—zoals wachtruimten en restaurants—als onderdeel van de interstatelijke vervoersketen die onder federale regulering valt. Rechter Hugo Black bracht het meerderheidsstandpunt uit.
Juridische grondslagen
- Interstate Commerce Act: het Hof baseerde zijn beslissing op de bevoegdheid van het Congres om de interstatelijke handel te reguleren en op de verbodsbepalingen tegen onbillijke discriminatie door common carriers.
- Relatie tot grondwettelijke garanties: hoewel Boynton ook grondwettelijke klachten aanvoerde (Equal Protection en Due Process), legde het Hof de nadruk op de federale regulering van interstatelijke vervoerders als rechtsgrond om de staatsveroordeling te vernietigen.
- Afbakening van bevoegdheid: de uitspraak bevestigde dat staatswetten die de uitoefening van federale rechten belemmeren ontoelaatbaar kunnen zijn wanneer zij botsen met de federale regulering van interstatelijke handel.
Gevolgen en betekenis
Boynton v. Virginia kreeg grote praktische en symbolische betekenis in de Amerikaanse burgerrechtenbeweging. De uitspraak werd door activisten gezien als een juridische basis om rassenscheiding in interstatelijke vervoersfaciliteiten aan te vechten. In 1961 leidden rechtstesten en protestacties, bekend als de Freedom Rides, ertoe dat federale instanties en de Interstate Commerce Commission striktere handhaving en regels oplegden om segregatie in bus- en treinstations en bij gerelateerde diensten te beëindigen.
Samengevat bevestigt Boynton dat interstatelijke reizigers bescherming genieten tegen discriminatie in faciliteiten die direct verband houden met interstatelijk vervoer, en toont de zaak hoe federale regulering van de handel kon worden gebruikt om staatsregels die rassenscheiding instandhielden te ondermijnen. De uitspraak vormde daarmee een belangrijk juridisch instrument in de verdere ontmanteling van de Jim Crow-praktijken in het zuiden van de Verenigde Staten.