De Boeddhistische Crisis was een periode van politieke en religieuze spanningen in Zuid-Vietnam. De crisis werd gekenmerkt door een reeks discriminerende handelingen van de Zuid-Vietnamese regering en een campagne van burgerlijk verzet, hoofdzakelijk geleid door boeddhistische monniken.

De crisis kwam op gang toen president Ngô Đình Diệm het wapperen van de boeddhistische vlag verbood. Dat leidde tot het doodschieten van negen ongewapende burgers die protesteerden tegen een verbod op de boeddhistische vlag op 8 mei en tot zelfmoord door verbranding van Thích Quảng Đức op 11 juni. De crisis eindigde toen Ngô Đình Diệm op 2 november 1963 werd vermoord.