Een siltsteen is een moddergesteente. Om een slibsteen te zijn, moet een gesteente voor meer dan vijftig procent uit slib bestaan.
Slib is elk deeltje dat kleiner is dan zand, 1/16e millimeter (~0,06 mm), en groter dan klei, 1/256e millimeter (~0,004 mm). Slib is het product van fysische verwering, zoals bevriezing en ontdooiing. Fysische verwering brengt geen chemische veranderingen in het gesteente met zich mee, maar alleen het uiteenvallen ervan.
Een van de hoogste concentraties slib op aarde wordt aangetroffen in de Himalaya, waar het jaarlijks vijf tot tien meter regent. Kwarts en veldspaat leveren de grootste bijdrage aan slib. Slib heeft de neiging niet-samenhangend en niet-plastisch te zijn, maar kan gemakkelijk vloeibaar worden.
Er is een eenvoudige veldtest om te beoordelen of een steen een slibsteen is of niet, en dat is de steen tegen de tanden te zetten. Als het gesteente "korrelig" aanvoelt tegen de tanden, dan is het een slibsteen.

