In het christendom gaat het bij Luiheid om een persoon die niet wil werken, vanwege een gebrek aan motivatie. De persoon zal lichamelijk inactief zijn en verwaarlozen wat God heeft gezegd. Heel vaak zal dit leiden tot verspilling van middelen. Een voorbeeld: Luiheid gaat over een persoon die de mensen in nood niet helpt, ook al zouden ze dat wel kunnen. Luiheid is een van de zeven hoofdzonden, die ook wel zeven hoofdzonden worden genoemd.

Voor de Protestanten is de Diligence (of het harde werken) een van de manieren om God te plezieren. Max Weber (1864-1920) behandelt dit in zijn werk De protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme. In zijn werk "Antropologie in pragmatischer Hinsicht" stelt Immanuel Kant dat van de hoofdzonden laksheid, lafheid en leugen, de eerste het meest verachtelijk is. Hij ziet dit echter ook als een maatstaf voor zelfbescherming van het individu, omdat lange fases van hard werken ertoe leiden dat een persoon vermoeid raakt en korte pauzes maakt tussen de intervallen van het werk. Zonder deze pauzes zou de rest van de wereld veel meer schade aanrichten. In 1846 schreef Louis Blanc over het recht om te werken. Er was toen een financiële crisis en veel mensen waren werkloos. De crisis leidde tot de Franse Revolutie van 1848. In 1880 publiceerde de socialist Paul Lafargue een essay met de titel The Right to be Lazy, waarin hij uitlegt dat de arbeider het recht moet hebben om lui te zijn.