Immanuel Kant werd geboren op 22 april 1724. In 1740 ging hij naar de universiteit van Königsberg en studeerde er de filosofie van Gottfried Leibniz en diens volgeling Christian Wolff. Hij studeerde er tot 1746, toen zijn vader stierf, en verliet toen Königsberg om een baan als tutor te aanvaarden. Hij werd de leermeester van graaf Kayserling en diens familie. In 1755 werd Kant lector en bleef in deze functie tot 1770. In 1766 werd hij benoemd tot tweede bibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek. Kant kreeg uiteindelijk de leerstoel Logica en Metafysica aan de Universiteit van Königsberg. In zijn hele leven reisde Kant nooit verder dan zeventig mijl van de stad Königsberg. Kant stierf op 12 februari 1804 met de laatste woorden "Es ist gut" ("Het is goed").
Universiteit
Na zijn studie aan de universiteit hoopte Kant leraar in de filosofie te worden, maar dat was erg moeilijk. Hij had lange tijd een leven als privaatdocent kunnen leiden. Er werd hem een baan aangeboden als professor in de poëzie aan de universiteit van Königsberg, maar hij wees die af. Later in 1770 werd hij gewoon hoogleraar filosofie aan de universiteit van Königsberg.
De jonge Kant was geïnteresseerd in natuurkunde, zowel in astronomische objecten (zoals planeten en sterren) als in de aarde. Hij schreef hierover enkele verhandelingen, maar hij raakte meer geïnteresseerd in metafysica. Hij wilde de aard van de menselijke ervaring leren kennen: hoe de mens iets kon weten, en waar zijn kennis op gebaseerd was.
Eerste twijfels
Onder de sterke invloed van het filosofische systeem van Leibniz en Wolff, begon Kant te twijfelen aan de fundamentele antwoorden van vroegere filosofen. Toen las Kant een Schotse filosoof, David Hume. Hume had geprobeerd duidelijk te maken wat onze ervaring was, en was tot een zeer sterke mening gekomen, "scepticisme" genaamd, dat er niets was om onze ervaring zeker te maken. Kant was zeer geschokt door Hume, en zag de theorie die hij had geleerd in een nieuw gezichtspunt. Hij begon te proberen een derde weg te vinden naast de twee die Kant "scepticisme" en "dogmatiek" noemde.
Kant las een andere denker, Jean-Jacques Rousseau genaamd. Zijn denken over de mens, vooral over moraal, menselijke vrijheid en eeuwige vrede, maakte indruk op Kant.