In de muziek is een zweep of slapstick een slaginstrument. Het bestaat uit twee stukken hout die met een scharnier aan elkaar verbonden zijn. De stukken hout worden tegen elkaar geslagen. Dit maakt een geluid als van een zweep. Aan elk van de stukken hout zit een handvat, zodat de speler ze kan vasthouden en tegen elkaar slaan zonder zijn vingers te beklemmen.
De zweep is vaak te horen in moderne orkesten, bands en slagwerkgroepen. Voorbeelden van een zweep in klassieke muziek zijn te horen aan het begin van Ravels Pianoconcert (3e deel), en in Brittens Young Person's Guide to the Orchestra.
Er is nog een ander type zweep, waarbij de ene plank langer is dan de andere. Het kan met één hand worden bespeeld. De speler schudt het instrument snel en de kleine plank beweegt weg van de grote en slaat er dan weer op terug. Het maakt een ander soort geluid dan de zweep, en wordt een slapstick genoemd. Het is gebruikt door verschillende componisten, waaronder Mahler, Richard Strauss, Ravel, Moesorgski en Hindemith. De eerste zweep werd ontworpen in de 14e eeuw.
