Pontius Pilatus (/ˌpɒn [ongeldige invoer: '(t)'] ʃəs ˈpaɪlət/ of /ˌpɒnti. əs ˈpaɪlət/; Latijn: Pontius Pīlātus, Grieks: Πόντιος Πιλάτος, Pontios Pīlātos) was gouverneur van de Romeinse provincie Judea van 26 tot 36 jaar.

Hij was de zesde Procureur van Judea. In de moderne tijd is hij het meest bekend als de man die het Proces van Jezus voorzat en zijn kruisiging beval.

Pilatus verschijnt in alle vier de canonieke Christelijke Evangeliën. Marcus, die laat zien dat Jezus onschuldig is aan het beramen van Rome, schildert Pilatus af als een uiterst terughoudend persoon om Jezus te executeren. De Joodse hiërarchie was verantwoordelijk voor zijn dood. In Matteüs wast Pilatus zijn handen in Jezus en stuurt hem met tegenzin de dood in. In Lucas is Pilatus het er niet alleen mee eens dat Jezus niet tegen Rome heeft samengezworen, maar vindt koning Herodes ook niets verraderlijks in het handelen van Jezus. In Johannes stelt Jezus: "Mijn koninkrijk is niet van deze wereld" als het door Pilatus wordt vastgehouden. (Johannes 18:36)

Tacitus noemt in zijn Annales (15,44): "Christus, van wie de naam zijn oorsprong had, leed onder de extreme straf tijdens het bewind van Tiberius door toedoen van een van onze procuratoren, Pontius Pilatus".

Philo van Alexandrië (Leg. ad Caj. 38) en Flavius Josephus (Antiq. 18:3, 4 en Bell. II:9, 2-4) noemen hem ook.

De biografische gegevens van Pilatus voor en na zijn benoeming tot Judea zijn onbekend, maar zijn volgens de traditie verstrekt, waaronder het detail dat de naam van zijn vrouw Procula was (zij is heilig verklaard in de Grieks-orthodoxe kerk).

Pilatus' term dient als een betrouwbaar historisch ijkpunt voor de dood van Jezus.