Polo maakte met zijn vader en oom een reis van 24 jaar naar China tijdens de Mongoolse dynastie. Hij verliet Venetië op 17-jarige leeftijd op een boot die door de Middellandse Zee, Ayas, Tabriz en Kerman voer. Daarna reisde hij door Azië tot aan Peking. Onderweg moest hij over bergen en door verschrikkelijke woestijnen, door hete brandende landen en plaatsen waar het verschrikkelijk koud was. Hij diende 17 jaar aan het hof van Kublai Khan. Hij verliet het Verre Oosten en keerde over zee terug naar Venetië. Er was ziekte aan boord en 600 passagiers en bemanningsleden stierven en sommigen zeggen dat piraten aanvielen. Toch overleefde Marco Polo het allemaal.
Sommige geleerden geloven dat Marco Polo wel naar China ging, maar niet naar alle andere plaatsen die in zijn boek worden beschreven. Hij bracht noedels mee uit China en de Italianen bedachten verschillende maten en vormen en noemden het pasta. Polo keerde terug naar Venetië met schatten als ivoor, jade, juwelen, porselein en zijde.
Zijn vader had geld geleend en een schip gekocht. Hij werd rijk door zijn handel in het nabije Oosten.