Mèng Kē (Chinees: 孟軻), die gewoonlijk bekend staat als Meng Zi (Chinees: 孟子), wat "Meester Meng" betekent, of Mencius (wat de Latijnse vorm van Meng Zi is), behoorde niet tot de generatie leerlingen die rechtstreeks met Confucius werkte, maar tot de tweede generatie daarna. Hij leefde van ongeveer 371 v. Chr. tot ongeveer 289 v. Chr. Mencius beschouwde Confucius als de grootste leraar, en hij schreef een boek waarin hij probeerde het volledige beeld achter wat Confucius onderwees uit te leggen. Het boek wordt gewoon bij zijn naam genoemd, dus in het Engels heet het Mencius.

In zijn boek leert Mencius dat mensen geboren worden met vier gaven: De eerste is het natuurlijke vermogen om te voelen wat andere mensen voelen en hen te willen helpen en beschermen. De tweede is te herkennen wanneer je niet je deel doet van het werk om een goede samenleving in stand te houden. De derde is het herkennen van conflictsituaties voordat ze groot worden en ze onschadelijk te maken. De vierde is te herkennen wanneer sommige andere mensen andere mensen kwetsen en gerechtigheid te willen verkrijgen voor hen die gekwetst worden.

Mencius geloofde dat net zoals het volk dingen verschuldigd was aan de heerser, de heerser ook dingen verschuldigd was aan het volk. Dus als een man de positie van heerser bekleedde, maar niet de dingen voor het volk deed die een heerser behoort te doen, dan was het aanvaardbaar voor het volk om zich van de heerser te ontdoen, en hem zelfs te doden.