Een Romeins consul was het hoogste gekozen politieke ambt van de Romeinse Republiek.

Elk jaar werden twee consuls gekozen voor een termijn van een jaar. Elke consul kreeg vetorecht over zijn collega en de functionarissen wisselden elkaar elke maand af.

De consuls waren meestal patriciërs, maar na 367 v.Chr. konden plebs (gewone mensen; plebejers) zich verkiesbaar stellen als consul.

Consuls hadden uitgebreide macht in vredestijd (administratief, wetgevend en gerechtelijk), en voerden in oorlogstijd vaak het hoogste militaire commando. Zij voerden bepaalde religieuze riten uit die alleen door de hoogste staatsambtenaren konden worden uitgevoerd. Consuls lazen ook voortekenen, een essentiële stap voordat zij legers te velde leidden.