Buiten de muren van Rome waren de bevoegdheden van de consuls veel groter in hun rol als opperbevelhebber van alle Romeinse legioenen. In deze functie kregen de consuls het volledige imperium (macht).
Wanneer legioenen werden bevolen door een decreet van de Senaat, voerden de consuls de dienstplicht uit. Bij toetreding tot het leger moesten alle soldaten hun eed van trouw aan de consuls afleggen. De consuls hielden ook toezicht op het verzamelen van troepen die door de bondgenoten van Rome werden geleverd.
Binnen de stad kon een consul een burger straffen en arresteren, maar hij had niet de bevoegdheid om de doodstraf op te leggen. Op campagne kon een consul echter elke straf opleggen die hij passend achtte voor elke soldaat, officier, burger of bondgenoot.
Elke consul voerde het bevel over een leger, meestal twee legioenen sterk, met de hulp van militaire tribunen en een quaestor die financiële taken had. In het zeldzame geval dat beide consuls samen optrokken, voerden zij om beurten een dag het bevel. Een typisch consulair leger was ongeveer 20.000 man sterk en bestond uit twee burgerlegioenen en twee geallieerde legioenen. In de beginjaren van de republiek bevonden de vijanden van Rome zich in Midden-Italië, zodat campagnes enkele maanden duurden.
Naarmate de grenzen van Rome in de 2e eeuw v.C. werden uitgebreid, werden de veldtochten langer. Rome was een oorlogszuchtige samenleving en voerde zelden geen oorlog. Daarom werd van de consul bij zijn aantreden door de senaat en het volk verwacht dat hij met zijn leger tegen de vijanden van Rome optrok en de Romeinse grenzen uitbreidde. Zijn soldaten verwachtten na de veldtocht met buit naar huis terug te keren. Als de consul een overweldigende overwinning behaalde, werd hij door zijn troepen bejubeld als imperator, en kon hij om een triomf verzoeken.
De consul kon de campagne naar eigen goeddunken voeren en had onbeperkte bevoegdheden. Na de campagne kon hij echter worden vervolgd voor zijn wandaden.