De Romeinse Senaat was de langst bestaande instelling in het oude Rome. Hij begon in de eerste jaren van de stad, die in 753 voor Christus zou zijn gesticht. Hij overleefde het Romeinse Koninkrijk (753 BC-509 BC), de Romeinse Republiek (509 BC-27 BC), het Romeinse Rijk (27 BC-395 AD) en de val van het West-Romeinse Rijk (395-476 AD).
De Senaat begon als een adviesraad van ouderen. Het woord "senaat" kwam van "senex" dat "oude man" betekent. De Senaat bereikte zijn hoogtepunt in het midden van de Republiek, toen het het machtigste orgaan in Rome was. De Senaat verloor veel van zijn macht in de eerste periode van het keizerrijk, bekend als het Principaat.
Na Diocletianus, toen het regeringscentrum uit Rome werd verplaatst, werd de Senaat slechts een gemeentelijk orgaan. De invloed van het oude idee leefde voort, en Constantijn II richtte een Senaat op in Constantinopel.

