In de muziektheorie zijn theoretische toonsoorten of onmogelijke toonsoorten toonsoorten met een signatuur die minstens één dubbel-flat of dubbel-sharps bevatten. Deze toonsoorten ontstaan wanneer je de gebruikelijke volgorde van kruisen (F–C–G–D–A–E–B) of mollen (B–E–A–D–G–C–F) door zou trekken voorbij zeven tekens: dan zijn er meer dan zeven kruisen of mollen nodig en verschijnen dubbele accidentalen in de notatie.
Waarom theoretische toonsoorten ontstaan
Theoretische toonsoorten komen voort uit het strikt volgen van de naamgeving van toonladdernoten en de intervalstructuur (bijvoorbeeld die van de majeurladder) zonder gebruik te maken van enharmonische vereenvoudiging. Praktisch gezien worden ze zelden als sleutel gebruikt omdat een sleutel met dubbele kruisen of dubbelmollen moeilijk leesbaar is voor uitvoerders. In gelijkzwevende stemming klinken zulke toonsoorten hetzelfde als hun enharmonische equivalenten, dus schrijvers kiezen doorgaans voor de eenvoudigere notatie.
Voorbeeld: G♯ majeur
Een veelgenoemd voorbeeld is G♯ majeur. De toonschikking van een G♯-majeur toonladder is:
G♯ – A♯ – B♯ – C♯ – D♯ – E♯ – F
– G♯
Hier zie je dat de zevende graad als F
geschreven moet worden (F dubbel-kruis). Omdat dit onhandig is, wordt muziek die in klank G♯ majeur is meestal geschreven in de enharmonisch gelijkwaardige toonsoort A♭ majeur, die een eenvoudige signatuur zonder dubbele accidentalen heeft.
Meer voorbeelden
- D♯ majeur (theoretisch): D♯ – E♯ – F
– G♯ – A♯ – B♯ – C
– D♯; enharmonisch gelijk aan E♭ majeur. - A♯ majeur, E♯ majeur, B♯ majeur en vergelijkbare sleutelconstructies: al deze theoretische toonsoorten vereisen dubbele kruisen of mollen om de juiste naamgeving te behouden en worden daarom meestal vervangen door hun enharmonische tegenhangers (bijv. A♯ majeur → B♭ majeur).
- Evenzo voor mollen: als je de mollenborduurdoorgang (meer dan zeven mollen) zou willen noteren, kom je uit bij dubbel-mollen in de sleutel. Zulke notaties zijn even onhandig en zelden gebruikt.
Minoren en chromatische wijziging
Theoretische problemen kunnen ook optreden bij mineurtoonsoorten, zeker wanneer je harmonische of melodische varianten van de mineurtoonladder gebruikt en daarbij de leidtoon of andere noten volgens strikte naamgevingsregels wilt schrijven. Ook hier wordt vaak gekozen voor een enharmonisch eenvoudiger weergave.
Lezen, schrijven en temperament
Belangrijke overwegingen bij het vermijden van theoretische toonsoorten:
- Leesbaarheid: Een sleutel met dubbele accidentalen vertraagt lezen en verhoogt de kans op fouten bij uitvoerders.
- Praktijk: Componisten en arrangeurs gebruiken meestal de enharmonische toonsoort met maximaal zeven tekens in de signatuur.
- Temperament: In gelijkzwevende stemming zijn enharmonische toonsoorten klankgelijk. In historische of ongelijke temperamenten kunnen enharmonisch gelijk genoteerde toetsen wél verschillende intonaties hebben; in zulke gevallen kan een compositorische of theoretische reden bestaan om een ‘onmogelijke’ toonsoort te kiezen.
Samenvatting
Theoretische (of onmogelijke) toonsoorten ontstaan wanneer de normale volgorde van kruisen of mollen doorgetrokken wordt voorbij wat praktisch noteerbaar is, waardoor dubbele kruisen of mollen nodig zijn. In de praktijk kiest men doorgaans voor de enharmonisch gelijkwaardige, beter leesbare toonsoort. Het begrip is vooral van belang in muziektheoretische analyse en in situaties waar strikt naamgeven of historische temperering relevant is.


