De Amerikaanse president Harry S. Truman hield op 12 maart 1947 een toespraak voor het Amerikaanse Congres. In deze toespraak zei hij dat hij vond dat de Verenigde Staten Griekenland en Turkije moesten helpen om te voorkomen dat ze 'totalitair' werden, hoewel hij het Sovjet-communisme bedoelde. Dit werd bekend als de Truman-doctrine. Sommige historici geloven dat dit het begin van de Koude Oorlog was.

Deze toespraak werd gehouden nadat het Verenigd Koninkrijk had gezegd dat het Griekenland en Turkije in februari 1947 niet meer zou helpen, omdat het Verenigd Koninkrijk na de Tweede Wereldoorlog ook arm was. Dit betekende dat Griekenland en Turkije nog steeds arm zouden zijn en Truman geloofde dat een arm Oost-Europa zich gemakkelijker zou bekeren tot een communistische regering, tenzij ze geholpen werden door de Verenigde Staten. Truman dacht ten onrechte dat de Sovjets de Griekse communistische partizanen hielpen toen er geen duidelijk bewijs was.

Dit plan was een grote verandering in de Amerikaanse politiek. Politiek historicus Walter LaFeber schreef dat 'de doctrine een ideologisch schild werd', wat betekent dat hij geloofde dat de Verenigde Staten de doctrine als excuus of reden gebruikten. Het Marshallplan kwam hiernaar toe.