Het everzwijn (Sus scrofa) behoort tot de familie van de echte zwijnen (Suidae) uit de orde der artiodactylen. Hij leeft vandaag in bijna alle delen van de wereld, zelfs in vele landen die niet zijn natuurlijke habitat zijn.
Wilde zwijnen zijn omnivoren en passen zich gemakkelijk aan veranderingen aan. Ze werden in Europa al lang geleden bejaagd voor veel van hun lichaamsdelen, en kwamen voor in de mythologie van veel oude beschavingen. De Griekse, Phoenicische en Perzische mythologie toonden hen als woest, soms kwaadaardig, terwijl anderen hen toonden als dappere, machtige dieren. Weer anderen zagen ze als parasitisch. Zelfs vandaag de dag zien veel mensen wilde zwijnen heel verschillend.
Het haar van het everzwijn werd vaak gebruikt bij het maken van de tandenborstel tot in de jaren 1930. Het haar voor de borstelharen kwam meestal uit het nekgedeelte van het zwijn. De borstels waren populair omdat de haren zacht waren. Het was echter niet het beste materiaal voor mondhygiëne omdat de haren langzaam droogden en meestal bacteriën vasthielden.

