Dieren zijn eukaryote organismen met veel cellen. Zij gebruiken geen licht om energie te krijgen zoals planten dat doen. Dieren gebruiken verschillende manieren om energie uit andere levende wezens te halen. Ze kunnen andere levende wezens eten, hoewel sommige parasieten zijn of fotosynthetische protisten als symbionten hebben.

De meeste dieren zijn mobiel, dat wil zeggen dat ze zich kunnen verplaatsen. Dieren nemen zuurstof op en geven kooldioxide af. Deze celademhaling maakt deel uit van hun metabolisme (chemische werking). In beide opzichten verschillen ze van planten. Ook hebben de cellen van dieren andere celmembranen dan die van andere eukaryoten zoals planten en schimmels. De studie van dieren wordt zoölogie genoemd.

Planten zijn ook meercellige eukaryote organismen, maar leven door licht, water en basiselementen te gebruiken om hun weefsels te maken.

Kenmerken van dieren

  • Meercellig en gedifferentieerd: dieren bestaan uit vele cellen die zich specialiseren in weefsels en organen.
  • Heterotroof: ze halen energie uit andere organismen in plaats van zelf energie uit licht te produceren.
  • Geen celwand: in tegenstelling tot planten en schimmels hebben dierlijke cellen meestal geen stijve celwand; in plaats daarvan is er vaak een extracellulaire matrix met eiwitten zoals collageen.
  • Celademhaling en metabolisme: dieren gebruiken celademhaling om energie vrij te maken uit organische stoffen, waarbij zuurstof wordt opgenomen en kooldioxide wordt uitgescheiden.
  • Beweging en zenuwstelsel: de meeste dieren zijn mobiel en hebben gespecialiseerde spier- en zenuwweefsels (met uitzondering van sommige eenvoudige groepen zoals sponzen).

Voeding en levenswijzen

Dieren tonen een grote variatie in voedingsstrategieën: herbivoren, carnivoren, omnivoren, detritivoren en filtervoeders komen voor. Daarnaast zijn er veel soorten die levenspartners nodig hebben in de vorm van parasieten of samenlevingen met protisten en andere micro-organismen als symbionten. Sommige zeeorganismen filteren micro-organismen uit water, terwijl roofdieren actief jagen.

Reproductie en ontwikkeling

Bij de meeste dieren komt seksuele voortplanting voor, met zygotevorming door versmelting van gameten en daaropvolgende embryonale ontwikkeling. Vroege stadia zoals de blastula en gastrulatie zijn kenmerkend voor veel groepen en leiden tot de vorming van weefsels en organen. Sommige dieren kunnen zich ook ongeslachtelijk voortplanten (bijvoorbeeld door knopvorming of fragmentatie).

Ontwikkelingspatronen variëren sterk: directe ontwikkeling (jong lijkt op volwassen dier) en indirecte ontwikkeling met larvale stadia (bijvoorbeeld insectenlarven of zeedieren met gedaanten) komen beide voor. Belangrijke ontwikkelingsgenen zoals Hox-genen bepalen de lichaamsindeling en segmentatie.

Diversiteit en indeling

Dieren vormen het rijk Animalia en omvatten een grote verscheidenheid aan vormen, van microscopische soorten tot grote zoogdieren en walvissen. Enkele belangrijke groepnamen (fylums) zijn:

  • Porifera (sponzen)
  • Cnidaria (neteldieren zoals kwallen en koralen)
  • Platyhelminthes (platwormen)
  • Nematoda (rondwormen)
  • Mollusca (weekdieren)
  • Annelida (ringwormen)
  • Arthropoda (geleedpotigen: insecten, spinachtigen, kreeftachtigen)
  • Echinodermata (stekelhuidigen: zeesterren, zee-egels)
  • Chordata (dieren met een notochord: vissen, amfibieën, reptielen, vogels, zoogdieren)

Indeling gebeurt op basis van kenmerken zoals symmetrie (radiaal vs. bilateraal), aanwezigheid van segmentatie, type lichaamsholte (coeloom) en embryonale ontwikkelingspatronen.

Ecologie en evolutionaire geschiedenis

Dieren vervullen talrijke ecologische rollen: consumenten in voedselketens, bestuivers, verspreiders van zaden, en soms belangrijke ecosysteemingenieurs (bijv. koralen of aardeverschuivers). De meeste ecosystemen zijn sterk afhankelijk van dierelijk gedrag en interacties.

De evolutionaire oorsprong van dieren ligt vermoedelijk in eencellige voorouders, nauw verwant aan choanoflagellaten. Het fossielenarchief toont vroege meercellige dieren in het Ediacarium en een sterke toename van dierlijke diversiteit tijdens de Cambrische explosie ongeveer 540 miljoen jaar geleden.

Verschillen met planten en schimmels

Hoewel zowel dieren als planten meercellige organismen zijn, gebruiken dieren geen licht als directe energiebron en bouwen ze geen weefsels op uit fotosyntheseproducten zoals planten dat doen. Dierlijke cellen verschillen in structuur en samenstelling van hun celmembranen en missen meestal de stijve celwand van planten en veel schimmels. Ook de manier van voeding en stofwisseling (metabolisme) is anders: dieren zijn overwegend heterotroof en doen aan celademhaling.

Zoölogie

De studie van dieren, de zoölogie, bestudeert hun anatomie, fysiologie, gedrag, ecologie, evolutie en classificatie. Zoölogen gebruiken moleculaire technieken, fossielen en veldobservaties om relatiepatronen en levenswijzen van dieren te begrijpen.

Samengevat: dieren zijn meercellige, heterotrofe eukaryoten met een grote ecologische en evolutionaire diversiteit. Hun vermogen tot beweging, gespecialiseerde weefsels en complexe ontwikkelingspatronen onderscheiden hen van planten en schimmels en verklaren hun centrale rol in de meeste ecosystemen.