Dinosaurussen evolueerden halverwege de Triasperiode van het Mesozoïcum, ongeveer 230 Ma (miljoen jaar geleden). In die tijd had de aarde één supercontinentale landmassa, Pangaea genaamd, waarvan Europa deel uitmaakte. Het bleef dus in het hele Trias. Aan het begin van het Jura-tijdperk, zo'n 30 miljoen jaar later, begon het supercontinent zich op te splitsen in Laurasia en Gondwana. De grootste inham van Panthalassa, de superoceaan die Pangaea omringde, werd de Tethys Oceaan genoemd, en toen deze inham zich dieper in het supercontinent sneed, werd een groot deel van Europa overspoeld.

Door het Krijt, van 145 tot 65 miljoen jaar geleden, begonnen de continenten hun huidige vormen te benaderen, maar niet hun huidige posities, en Europa bleef tropisch. Soms was het een keten van eilandmicrocontinenten, waaronder Baltica en Iberia.

Europa is relatief rijk aan fossielen uit de grens tussen Jura en Kreta, en veel van wat bekend is over de Europese dinosauriërs dateert uit deze tijd. Zoals de onderstaande tijdlijn illustreert, zijn er aanzienlijke hiaten in onze kennis van de rest van het Mesozoïcum. De afwezigheid van dinosaurus-geslachten uit deze tijd komt doordat er weinig fossielen zijn ontdekt, en vrijwel zeker niet omdat Europa weinig soorten dinosauriërs bevatte, behalve misschien direct na de Trias-Juraanseuitsterving.

Evolutie en biogeografie in Europa

De splitsing van Pangaea in Laurasia (noordelijke continenten) en Gondwana (zuidelijke continenten) beïnvloedde sterk hoe dinosauriërs zich verspreidden en ontwikkelden. Europa lag in Laurasia en fungeerde vaak als doorgangsgebied en ook als archipel met geïsoleerde eilanden. Die geïsoleerde omstandigheden stimuleerden lokale aanpassingen en endemische soorten. Gedurende het Mesozoïcum vonden herhaalde mariene transgressies en regressies plaats, waardoor gebieden overspoeld werden en later weer droog kwamen te liggen — dit veranderde voortdurend beschikbare leefgebieden en migratieroutes.

Habitat en paleomilieu

De Europese landschappen in het Mesozoïcum varieerden van kustvlakten en ondiepe zeeën tot rivierdalen, moerasbossen en bergachtige gebieden. Klimaat was overwegend warmer en vochtiger dan vandaag, met veel subtropische tot tropische zones. Belangrijke paleo-omgevingen en gevolgen:

  • Kust- en delta-gebieden: veel vindplaatsen met goed bewaarde skeletresten en sporen doordat sedimentatie snel begroef.
  • Archipels en eilandhabitats: isolatie kon leiden tot insular dwarfism (kleiner worden van soorten) en unieke faunagemeenschappen, zoals in de Hațeg-formatie (Roemenië).
  • Riviersedimenten en meanderbekkens: leveren vaak goed geconserveerde botten, eieren en voetsporen op.

Belangrijke fossiele vondsten en soorten in Europa

Europa heeft enkele klassieke en wereldwijd invloedrijke vindplaatsen die veel bijdragen aan ons beeld van dinosauriërs:

  • Solnhofen (Duitsland) — beroemde Jura-afzettingen met uitzonderlijk bewaarde fossielen zoals Archaeopteryx en Compsognathus.
  • Bernissart (België) — een veelvuldig besproken vondstplaats van Iguanodon-skeletten in kolossale bottenbedden.
  • Isle of Wight en wealden-gebieden (Verenigd Koninkrijk) — rijk aan voortijdse dinosauriërs zoals Baryonyx en andere Wealden-dinosauriërs; veel voetsporen en botmateriaal.
  • Lourinhã (Portugal) en noordwest-Spanje — veel laat-jura en laat-krijt fossielen, waaronder sauropoden en theropoden; Portugal levert ook eieren en kuikens op.
  • Langenberg (Duitsland) — vondst van de dwergsauropode Europasaurus, voorbeeld van eilandverkorting.
  • Hațeg-bekken (Roemenië) — beroemd om geïsoleerde eilandfauna en voorbeelden van dwergvorming zoals Magyarosaurus.

Fossielen, sporen en bewaringsbias

Onze kennis is sterk afhankelijk van waar en hoe sedimenten bewaard zijn gebleven. Fossielen ontstaan en worden gevonden onder specifieke omstandigheden, waardoor de ontdekkingen een vertekend beeld kunnen geven:

  • Sedimentaire dekking: gebieden die gedurende lange periodes afzetting kenden (rivier-, meer- of mariene afzettingen) leveren meestal meer fossielen.
  • Erosie en tektoniek: op plekken waar gesteente later is weggeslepen of sterk is vervormd, zijn fossielen verdwenen of moeilijk te vinden.
  • Mariene transgressies: perioden waarin zeeën grote delen van Europa overspoelden, vernietigden of bedekten landafzettingen en belemmerden lokale fossielvorming.
  • Menselijke factor: sommige regio's zijn intensief onderzocht en gecultiveerd, andere blijven slecht onderzocht; dit veroorzaakt ontdekkingsbias.

Behalve skeletmateriaal vindt men ook voetafdrukken, eieren, huidafdrukken en uitwerpselen (coprolieten). Die geven aanvullende informatie over gedrag, voortplanting en ecologie die botten alleen niet bieden.

Waarom zijn er grote hiaten in het fossiele bestand?

De tekst hierboven noemt al dat er hiaten zijn — de belangrijkste oorzaken zijn:

  • Ontbrekende afzettingen: uit sommige perioden (bijv. delen van het vroege tot midden-Mesozoïcum in Europa) zijn weinig landafzettingen bewaard gebleven.
  • Geologische herverwerking: gesteente kan door verwering en/of subductie verloren gaan.
  • Kleine landoppervlakten: tijdens hoge zeespiegels bestond Europa soms uit eilandketens—minder land betekent minder populaties en zeldzamere fossielen.
  • Onderzoeksachterstand: sommige regio's (bijv. delen van Oost-Europa of ondergrondse afzettingen) zijn nog weinig onderzocht met moderne technieken.

Toekomst en onderzoek

Nieuwe technieken (bijv. CT-scans, isotopenanalyse, aDNA-achtige methoden voor jonge monsters) en gerichte veldcampagnes vullen langzaam de gaten. Interdisciplinair werk tussen geologie, paleoklimaat en paleobiologie verbetert ons begrip van hoe Europese dinosauriërs leefden en reageerden op klimaat- en landschapsveranderingen.

Samenvattend: Europa bood tijdens het Mesozoïcum een gevarieerd palet aan leefomgevingen — van uitgestrekte kustvlakten tot geïsoleerde eilanden — dat leidde tot een rijke, deels endemische dinosaurusfauna. De bestaande lacunes in het fossiele bestand zijn grotendeels het gevolg van geologische processen en bewaring, niet noodzakelijk van een werkelijk arm ecosysteem. Blijvend onderzoek zal ons beeld blijven verfijnen.