Conodonten zijn een uitgestorven klasse van het phylum Chordata. Zij worden thans als gewervelde dieren beschouwd, al blijft de precieze positie binnen de chordaten onderwerp van onderzoek: de meeste onderzoekers zien conodonten als basale of stam-vertebraten (stem-vertebrata) in plaats van afgeleide moderne gewervelden.
Jarenlang waren conodonten alleen bekend van hun voedingsapparaat, de zogeheten conodont-elementen, die goed fossiliseerden. Dit komt doordat het grootste deel van het conodont-dier uit een zacht lichaam bestond; alleen de tandachtige elementen en soms kleine, door fosfaten verbeende structuren bleven onder normale omstandigheden bewaard. De conodont-elementen zijn opgebouwd uit fosfaat (apatiet), vergelijkbaar met het materiaal van gewervelde tanden en kaakelementen, en vertonen microstructuren die lijken op dentine en enameloid.
Pas in het begin van de jaren 1980 werden conodonttanden gevonden in combinatie met sporenfossielen van het gastorganisme. Deze zachte resten, onder andere afkomstig uit het Neder-Carboon Lagerstätte bij Edinburgh, Schotland, gaven inzicht in de bouw van het dier: een langgerekt, ingewandenrijk organisme met een notochord, segmentale spierbundels (myomeren), een eindgestelde staartvin en vaak ogen of lichtgevoelige structuren. Daarmee kon het vermoeden dat conodonten verwant waren aan gewervelden sterk worden onderbouwd.
Anatomie en conodont-apparaat
De karakteristieke conodont-elementen vormen geen losse tanden in een kaak maar een samengesteld voedingsapparaat met meerdere elementtypes. Elementen worden in verschillende morfologische groepen ingedeeld (bijvoorbeeld puntige coniforme, haakvormige ramiforme en plaatvormige pectiniforme elementen) en samen vormen ze een functioneel geheel voor grijpen, snijden of malen van voedsel. Het volledige dier was relatief klein; de zachte delen maten meestal enkele centimeters in lengte.
Leefwijze en ecologie
Conodonten waren mariene dieren die een rol speelden als roofdieren of opportunistische eters in zeeën van de Paleozoïsche en vroege Mesozoïsche era. Hun aanwezigheid in uiteenlopende mariene sedimenten suggereert dat sommige soorten vrij zwommen (nektonisch), terwijl andere mogelijk in de waterkolom hingen (planktonisch) of nabij de zeebodem leefden.
Fossiele en stratigrafische betekenis
Conodont-elementen zijn zeer belangrijk voor de stratigrafie en geologische datering van Paleozoïsche en vroege Mesozoïsche gesteenten. Door hun wijdverspreide aanwezigheid, snelle evolutionaire veranderingen en goed behoud zijn ze uitstekende indexfossielen. Daarnaast worden isotopische samenstellingen van conodont-elementen (bijvoorbeeld zuurstofisotopen in het apatiet) gebruikt om oude zeewatertemperaturen en klimaatomstandigheden te reconstrueren.
Ontdekking en wetenschappelijke geschiedenis
Conodont-elementen zijn al in de 19e eeuw beschreven (de naam betekent letterlijk 'kegel-tand'). Lange tijd leidde het ontbreken van zachte delen tot veel verschillende interpretaties over wat voor soort organisme de elementen produceerde. De vondst van intacte, zachte lichamen in lagerstätten in de 20e eeuw, en daarna nieuwe technieken om microstructuren en moleculaire kenmerken te onderzoeken, maakten duidelijk dat conodonten nauwer verwant zijn aan de oorsprong van gewervelden dan eerder gedacht.
Tijdsbalk en uitsterven
Conodonten verschenen vroeg in het Paleozoïcum en waren divers en wijdverspreid tot ze aan het einde van het Trias uitstierven. Hun fossielen beslaan dus een groot deel van de geologische geschiedenis, waardoor ze van groot belang zijn voor het dateren van gesteenten uit die perioden.
Samenvattend: conodonten zijn uitgestorven, chordaata-achtige dieren die vooral bekend zijn van hun fossiele, fosfaatrijke tandachtige elementen. Dankzij zeldzame zachte-weefselfossielen is hun plaats binnen de evolutie van gewervelden veel beter begrepen, en blijven conodonten een sleutelgroep voor paleontologen en stratigrafen.


