Diastole (spreek uit als /daɪˈæstəliː/) is de tijd tijdens een hartslag waarin het hart zich vult met bloed na een samentrekking. Het samentrekken van het hart wordt systole genoemd en is het tegenovergestelde van diastole. De term diastole komt van het Griekse woord διαστολη. Dit betekent uitzetten of openen.
Wat gebeurt er tijdens de diastole?
Tijdens de diastole ontspannen de hartspieren (vooral de kamers). Daardoor dalen de drukken in de atria (boezems) en ventrikels (kamers), openen de atrioventriculaire kleppen (mitralis en tricuspidalis) en stroomt bloed vanuit de boezems naar de kamers. Aan het einde van de diastole trekken de boezems kort samen (atriale systole), wat het laatste deel van de vulling van de kamers oplevert — dit wordt de atrial kick genoemd.
Soorten diastole
- Atria- of boezemdiastole: de fase waarin de boezems zich vullen met bloed uit de veneuze terugkeer.
- Ventrikeldiastole: de fase waarin de kamers zich vullen; bestaat uit vroege snelle vulling, diastatische fase (langzamere vulling) en de late vulling door atriale contractie.
Electrofysiologische en ECG-relatie
Op het ECG begint de ventrikeldiastole na de repolarisatie van de ventrikels, weergegeven door de T-golf. De atriale systole (P-golf) valt meestal tegen het einde van de ventrikeldiastole, net vóór de QRS-complex dat de volgende ventriculaire depolarisatie (systole) op gang brengt.
Relatie met bloeddruk
De diastolische bloeddruk is de druk in de aorta en grote slagaders tijdens de diastole. Een normale diastolische waarde ligt ongeveer tussen de 60 en 80 mmHg (algemeen richtsnoer; individuele waarden variëren). De diastolische druk is klinisch belangrijk omdat:
- de coronairvaten voornamelijk tijdens de diastole worden doorbloed (belangrijk voor de hartspierperfusie);
- een te hoge diastolische druk wijst op hypertensie, een risicofactor voor hart- en vaatziekten;
- een extreem lage diastolische druk (bijvoorbeeld door ernstige aortaklepincompetentie) kan de perfusie van de hartspier verminderen.
Waarom is diastole belangrijk?
- Vult de kamers met bloed zodat er voldoende ejectie (uitstoot) bij de volgende contractie mogelijk is.
- Garandeert coronairperfusie: veel bloedtoevoer naar het hart zelf vindt vooral plaats tijdens de diastole.
- Beïnvloedt de vullingstolerantie en het hartdebiet; stoornissen in diastole kunnen leiden tot klachten zoals benauwdheid en verminderde inspanningstolerantie.
Stoornissen en klinische betekenis
Diastolische disfunctie betekent dat de kamers stijf zijn of niet goed ontspannen, waardoor de vulling verminderd is ondanks normale ejectiefractie. Dit kan leiden tot hartfalen met behoud van ejectiefractie (HFpEF). Oorzaken en verwante problemen:
- Langdurige hoge bloeddruk (hypertensie) — veroorzaakt verdikking en stijfheid van de wand.
- Ischemische hartziekte — verminderde ontspanning door slecht doorbloede hartspier.
- Cardiomyopathieën, diabetes, veroudering, en bepaalde klepafwijkingen.
Symptomen: kortademigheid bij inspanning of in rust, vermoeidheid, vochtretentie (oedeem). Klinische tekenen en testen zoals echocardiografie met Doppler worden gebruikt om diastolische functie te beoordelen.
Diagnose en onderzoek
- Echocardiografie (Doppler/Tissue Doppler): belangrijkste hulpmiddel om diastolische functie en vullingsdrukken te beoordelen.
- ECG: toont elektrische activiteit en kan aanwijzingen geven voor ischemie of hypertrofie.
- Bloedonderzoek: BNP/NT-proBNP kunnen verhoogd zijn bij hartfalen.
- In sommige gevallen: inspanningstest, cardiale MRI of invasieve meting van vullingsdrukken.
Behandeling en beheer
De behandeling richt zich op de onderliggende oorzaak en op symptoomverlichting:
- Beheersing van bloeddruk (ACE-remmers, ARB's, calciumantagonisten, diuretica waar passend).
- Risicofactoren aanpakken: gewichtsreductie, diabetescontrole, stoppen met roken, zoutbeperking en bewegen.
- Bij hartfalen: diuretica om vocht te verminderen, ritme- of frequentiebeheer bij boezemfibrilleren, en soms mineralocorticoïde-receptorantagonisten.
- Behandeling van ischemie of kleplijden indien van toepassing (revascularisatie, klepchirurgie).
Factoren die de diastole beïnvloeden
- Hartslag: bij een hogere hartfrequentie wordt de diastole relatief korter, waardoor vulling en coronairperfusie kunnen verminderen.
- Leeftijd: veroudering vermindert vaak de elasticiteit en ontspanning van het hart.
- Medicatie: bètablokkers verlengen de diastole door de hartslag te verlagen; bepaalde geneesmiddelen verbeteren ontspanning of vulling.
Kort samengevat: de diastole is de vullingsfase van de hartcyclus en essentieel voor adequate bloedtoevoer naar zowel het lichaam als de hartspier zelf. Problemen met diastole kunnen ernstige gevolgen hebben voor de pompfunctie en vragen om gerichte diagnostiek en behandeling.

